06-02-2017

DE BEWAKERS VAN WESTERBORK

 

Een rijk gedocumenteerd relaas over het wee in een kamp op de Drentse heide heb ik voor u, dat onze blik op de rampspoed daar weer bijstelt, beter: verscherpt. Aan de lange rij van berichten over de Holocaust waarover ik u hier kond mocht doen, zet ik weer een schamper, want adembenemend boek bij. Het gaat om de 368 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde paperback De bewakers van Westerbork van historicus Frank van Riet en uitgeverij Boom. Op de voorzijde van de omslag zetten zes rijen van prikkeldraad de trieste toon. In vroeger jaren brachten wij als gezin vele jaren achtereen door op de boerderij van Harm Tip aan de Ermermarkerweg in Veenoord Zuidoost Drenthe. In de grote vakanties die wij daar ook deels waren, zetten wij immer niet alleen koers naar Ponypark Slagharen, Dierenpark Emmen, Openluchtmuseum Ellert en Brammert, Veenpark, Gevangenismuseum Veenhuizen, Hunebed Noord-Sleen, Jaknikkers Schoonebeek, Brinkdorp Orvelte maar vooral ook naar Herinneringskamp Westerbork. Bij de restanten rails verhaalde ik tegenover de gezinsleden waar Westerbork voor stond. Kamp Westerbork (Judendurchgangslager Westerbork) was een doorgangskamp tijdens de Tweede Wereldoorlog in de voormalige gemeente Westerbork in Drenthe. Het kamp was een voorportaal waarvandaan ruim 100.000 in Nederland wonende Joden en 245 Roma per trein werden gedeporteerd naar concentratie- en vernietigingskampen in Duitsland, Polen en Tsjechië.

In De bewakers van Westerbork achterhaalt Van Riet nu een wrange brok historie over het kamp. Onder ons is de journalist en schrijver Ad van Liempt die zich al jaar en dag onledig houdt met het vastleggen van de geschiedenis over de oorlog, Ik noem u alleen zijn navrante werk Aan de Maliebaan dat ik in 2015 bij u mocht introduceren en u bent weer helemaal ‘in the picture’. In de Volkskrant van 19 november publiceerde hij een waardige recensie over de toegankelijke en tintelende studie van Frank van Riet. Ik geef zijn tekst integraal aan u door met het verzoek het stuk bij u te hebben als wij de volgende keer hier een tocht maken door De bewakers van Westerbork. Maar eerst de tekst van de uitgever op de omslag.

De uitgever: ‘Over kamp Westerbork, het Nederlandse voorportaal van de Holocaust, zijn talrijke boeken verschenen. Tot nu toe bleven de organisatie en de bewaking van het kamp echter onderbelicht. Vooral daarover gaat dit boek. Voor de bewaking van kamp Westerbork waren geen brute sadisten nodig, zoals in andere kampen wel het geval was. Kampcommandant Gemmeker had slechts een tiental SS'ers tot zijn beschikking. Zij kregen hulp van de uit joden samengestelde Ordedienst (OD), door andere kampingezetenen ook wel aangeduid als de joodse SS, en van de Marechaussee, die de buitenbewaking deed. In al hun gruwelijkheid waren de maatregelen van het kampbestuur zeer effectief: van de ruim honderdduizend joden wisten er slechts enkele honderden te ontkomen. Frank van Riet beschrijft hoe het kamp werd geleid; een vergeten hoofdstuk uit de geschiedenis van Nederland in oorlogstijd.’

Van Liempt: ‘Frank van Riet schrijft gedetailleerd en genuanceerd over de Joodse Ordedienst in Kamp Westerbork. De historicus is opvallend mild over de mannen van de Ordedienst. De benaming 'Joodse SS' wijst hij van de hand. De Joden moesten in de Tweede Wereldoorlog niet alleen hun eigen ondergang financieren; in het doorgangskamp Westerbork moesten ze bovendien zélf de orde bewaren. Dat was het werk van de Joodse Ordedienst (OD), eerst bestaande uit vooral Duitse en later uit merendeels Nederlandse Joden. Het duivelse systeem functioneerde naar tevredenheid van de SS-leiding, maar het wekte de woede van de Joodse gevangenen, zoals Handelsblad-journalist Philip Mechanicus in zijn kampdagboek ‘In Depot’ noteerde: 'De Joden in het kamp duiden hen aan met: de Joodse SS. Zij zijn gehaat als de pest, men zou menigeen hunner levend kunnen villen, als men zou durven.' Ook dit ongekend pijnlijke onderdeel van de Jodenvervolging in Nederland is nu gedetailleerd beschreven.

Frank van Riet, politieagent én historicus, die eerder het optreden van de Rotterdamse politie in de bezettingsperiode bestudeerde, heeft zich jarenlang beziggehouden met de ordebewaking in die bizarre stad op de Drentse hei, 500 bij 500 meter, waar soms wel vijftienduizend mensen korte tijd woonden, tot ze werden afgevoerd naar de vernietigingskampen. De bewakers van Westerbork heet zijn boek. Aanvankelijk speelde een detachement van de Koninklijke Marechausse een belangrijke rol in die bewaking; het begeleidde de Joden van en naar het station van Hooghalen. Toen de NS eind 1942 een aftakking van de spoorlijn tot in het kamp had aangelegd, scheelde dat in het werk: de Ordedienst kon daarna de bewaking binnen het kamp wel alleen af, en de marechaussee kon zich beperken tot de buitenbewaking. De OD groeide mee met het tempo van de deportaties, tot 182 man in april 1943, van wie 106 Nederlandse Joden. Het was niet moeilijk vrijwilligers te vinden: iedereen besefte dat een baantje als bewaker de kans op een langer verblijf in het kamp bevorderde. Garanties waren er natuurlijk niet: uiteindelijk is het merendeel gedeporteerd, meer dan 160 in totaal. De meesten gingen naar Theresienstadt en hadden daarmee een iets grotere kans op overleven dan andere Joden, die in Sobibor of Auschwitz (waar onder anderen Mechanicus de dood vond) terechtkwamen. Ze moesten niet alleen hun vuile werk doen op het perron van Westerbork waar meestal op dinsdagmorgen de deportatietrein werd volgestouwd. Soms werden ze ingezet bij het verslepen van zieke en behoeftige Joden uit Amsterdam. In januari 1943 was het de OD die de psychiatrische patiënten en geestelijk gehandicapten uit de inrichting Het Apeldoornsche Bos in vrachtwagens en later in treinwagons moest laden - een van de gruwelijkste taferelen uit de hele oorlog. Waarom ze dat deden? Een van hen, Werner Bloch, schreef in een terugblik dat ze het deden om erger te voorkomen: 'We meenden dat het beter was door een OD'er de trein te worden ingeduwd dan bloedend van de klap met een geweerkolf op transport te moeten gaan.'
Dat standpunt vond weinig weerklank bij de ooggetuigen. Philip Mechanicus schrijft over een oploop in het kamp, veroorzaakt door het bericht dat er verse groente zal worden uitgedeeld: 'OD'ers gaan met hun volgevreten, zinnelijke koppen langs en om de hoop heen als wolven om een troep paarden: waar kunnen we er een uitsleuren? Ogen vervuld van haat en walging, de mensen staan verstard.' Er zijn wel aanwijzingen dat de meeste OD'ers hun werk met bittere tegenzin deden, dat sommigen onopvallend probeerden Joden te helpen. Volgens Bloch moesten de OD'ers die het beulswerk in Apeldoorn hadden verricht dagen bijkomen van de doorstane ellende.
Toen de Canadezen op 12 april 1945 Westerbork kwamen bevrijden, waren er nog rond de 900 Joden aanwezig, van wie 32 leden van de Ordedienst, 14 Nederlanders en 18 Duitsers. Ze mochten allemaal na verhoor naar huis, op één na, de commandant, Arthur Pisk, op dat moment 53 jaar. Hij was van oorsprong handelaar in dameshoeden en kwam al in 1940 naar Westerbork, toen nog opvangplaats voor Duitse vluchtelingen. Hij had volgens Mechanicus het uiterlijk van een zeerover, compleet met Hitlersnorretje, en hij gedroeg zich lomp en vijandig ('hoofd van de Joodse Gestapo'). Frank van Riet schetst een veel genuanceerder beeld en komt met verklaringen van ooggetuigen en ondergeschikten die begrip voor zijn positie hebben en zeggen dat hij sommige bevelen van de kampleiding saboteerde of anders op menselijke wijze toepaste. Het strafrechtelijk onderzoek dat tegen Pisk is ingesteld, leidde niet tot vervolging, hij kreeg zelfs een getuigschrift mee en vestigde zich met vrouw en zoon in Heemskerk. Van Riet is opvallend mild voor de mannen van de Ordedienst. Hij wijst de benaming 'Joodse SS' van de hand. Hij schrijft: 'Overlevingscollaboratie is weliswaar minder zwaar, maar ook niet passend. Als er toch een stempel op de OD gedrukt moet worden, dan is 'overlevingsparticipatie' een betere term. Een vreselijk woord, dat hopelijk snel weer verdwijnt. Als Mechanicus een graf zou hebben gehad, zou hij zich erin hebben omgedraaid. Hij omschreef, als inwoner van kamp Westerbork, de kamppolitie gewoon zo: 'Leuke jongens, die OD'ers. Ze worden in het kamp gehaat, en vervloekt tot in het gebeente.'
 

DIT IS LONDEN

 

Een weergaloos, overrompelend, opzienbarend, onthullend, schokkend, rauw, verontrustend  bericht uit een metropool leg ik voor u neer. Een verslag van de straat geplukt daar gaat dit relaas over de stad die voor velen ‘the place to be’ en ‘the place for me’ is. Het gaat om de 428 bladzijden tellende, royaal geïllustreerde paperback Dit is Londen van de Brits-Franse journalist Ben Judah en uitgeverij Atlas Contact met de ondertitel ‘ Leven en dood in een wereldstad’. De omslag van dit geweldig indringende boek zet de toon, want ‘Afghaanse kruidenier’, ‘Poolse bouwvakker’, ‘Roemeense straatmuzikant’, ‘Arabische prinses’, ‘Russische oligarch’, ‘Ghanese papierprikker’, ‘Nigeriaanse politieman’, ‘Grenadese bendeleider’ staan symbool rond locaties als ‘Edmonton Green’, ‘Beckton Alps’, ‘Peckham High Street’ en ‘Plaistow Road’. De nationaliteiten van de nieuwe ingezetenen van Londen symboliseren de huidige pluriformiteit van de stad aan de Thames. In de jaren zeventig mocht ik via de hovercraft vanuit Brugge met een klas havoleerlingen een vijftal aprildagen verblijven in het hotel Park Plaza Victoria London in de schaduw van het Buckingham  Palace. Om de sightseeings van Londen te aanschouwen maakten wij gebruik van de metro die halt en front maakte in het nabijgelegen Victoria Coach Station. Wat ons opviel was de gedrevenheid, de gedweeheid, de vanzelfsprekendheid, de gemoedelijkheid, de gedisciplineerdheid waarmee de bewoners van de city hun route aflegden. In de jaren negentig deden mijn echtgenote en ik de trip van toen nog eens dunnetjes over en weer viel op de rustige rusteloosheid en de kalme drukte van Londen. Duidelijk was dat iedereen op straat wist wat zijn bestemming was. Met gezwinde tred ging een ieder zijns weegs. Het eerste van de 25 stadsimpressies van Ben Judah met de titel ‘Victoria Coach Stations etaleert in prachtig proza dat het nu andere koek is in Londen. Ik geef dat stuk na de tekst van de site aan u door. Een volgende keer struinen wij weer met Judah door Londen.

Atlas Contact: ‘Hedendaags Londen is een stad van immigranten. Meer dan een derde van de Londenaren werd over de grens geboren. Er wonen 600.000 illegalen. Mensen uit letterlijk alle windstreken zijn er terechtgekomen, met dromen over werk en vooruitgang. Voor velen komen die niet uit. Dit heeft onuitwisbare effecten op de stad, zowel positieve als negatieve. In tien jaar tijd is Londen sterk veranderd. Judah dompelt zich onder in de wereld van immigranten, van bedelaars, gangsters, smerissen en louche handelaars. Hij dineert met oligarchen, slaapt onder de blote hemel en werkt op bouwplaatsen. De verhalen die hij optekent zijn soms van een hartverscheurende uitzichtloosheid, maar getuigen ook van groot mededogen. ‘Dit is Londen’ biedt een rauw, opwindend perspectief op hoe het is om te leven, te werken, op te groeien, op te voeden, lief te hebben, oud te worden en te sterven in een multiculturele wereldstad. De ontwikkeling die Judah schetst is niet beperkt tot Londen, het is de toekomst van elke grote Europese stad.’

Ben Judah: ‘Ik moet alles met eigen ogen zien. Statistieken vertrouw ik niet. Columnschrijvers vertrouw ik niet. Zelfbenoemde woordvoerders vertrouw ik niet. Daarom sta ik hier ’s morgens vroeg weer te kleumen op Victoria Coach Station, waar de internationale bussen aankomen en vertrekken. Mensen botsen tegen me op. Automatische deuren schuiven open en dicht. Net aangekomen reizigers kijken verdwaasd om zich heen. Afrikanen met hoody’s en nepleren jasjes wrijven in hun ogen. Potige Polen zwalken met enorme gereedschapskisten de straat op. Arabieren in fleece jacks en bodywarmers trekken prepaidtelefoons om degenen die ze hier kennen te bellen. Ik sta al weken ’s ochtends vroeg op het busstation: bussen tellen, onbekenden aanklampen – eerst tientallen, maar inmiddels honderden – om met mijn mobieltje hun woorden op te nemen. En weer voel ik me katterig. Weer ben ik verkleumd. Weer zijn alle ruiten beslagen door de vorst en kneedt de waterkou zich een weg door mijn kleren. Wielen plenzen door vuile plassen als touringcars bliepend achteruitsteken en Parijs, Boekarest en Rome uitladen. Duiven fladderen, ventilators brommen. Harde regen knistert als een babyratel op het glazen afdak boven het groezelige station. Met rode, prikkende handen van de kou toets ik gehaaste notities in op mijn display: zo is het leven, elke ochtend opnieuw, in ons miserabele Ellis Island. Het punt van waaruit onze samenleving verandert. Deze overvolle hal, omzoomd met smerige, afgeleefde telefooncellen, weergalmt van talen die ik niet versta: Sinti, Turks, Swahili misschien. Tegels glimmen in het neonlicht. Nu stroomt de Eurolines leeg. Een Roemeense vrouw in een grijs trainingspak doet haar capuchon af, glimlacht onzeker, een halve meter achter een gedrongen man, en veegt haar lange glanzende bruine haar naar voren en naar achteren. Een vettige, ongeschoren jongen in een pikzwarte hoody en donsjack sleept met een sporttas en tuurt nietsziend naar de kronkelende kleurenlijnen van de metroplattegrond. Ik sta weer in de klammigheid, intoetsend wat ik kan zien. Omdat ik alleen vertrouw op wat ik kan zien.

Ik ben in Londen geboren, maar ik herken mijn stad niet meer. Ik weet niet of ik van het nieuwe Londen hou of dat het me beangstigt: een stad waar minstens 55 procent van de inwoners niet blank en Brits is, waarvan bijna 40 procent in het buitenland geboren is en 5 procent in de schimmige illegaliteit leeft.1 Ik heb geen idee wie die nieuwe Londenaren zijn. Of wat hun Londen eigenlijk is. Daarom blijf ik hier komen. Parijs bliept binnen. Rolkoffers klikklakken, getrokken door kwetterende Franse metroseksuelen in skinny jeans. Ze vegen de regen van hun gesoigneerde gezicht en bruine schildpadbril. Een lang, masculien meisje in een spijkerrok hijst zich lijzig als een luiaard langs de tegelmuur omhoog en blijft er even met gesloten ogen tegenaan geleund staan, tot een gehaaste Afrikaanse schoonmaker in een fluorescerend vest haar per ongeluk met zijn mop aanstoot en sorry zegt. Het dringt nauwelijks tot haar door, en mijn vingers toetsen rap haar reactie in: zijn fluorescerende vest omhult een onzichtbare man. Nu bliept Keulen binnen.

Twee Bulgaarse boeventypes met doorgroefde tronies en dikke ogen, beiden in hemelsblauw ski-jack, pakken hun identieke rugzakken waarin hun pneumatische boren zitten. Beiden grimassen als de buik van de bus zijn inhoud loost. Sjofele, kibbelende Roma-vrouwen met donkergroene hoofddoeken en lange zwarte rokken snauwen naar elkaar terwijl ze vuilniszakken uitpuilend van kapotte dekens en mottige dekbedden over de spiegelende plassen tillen. Ze lopen in het kielzog van een geeuwende man met een zwarte leren pet en een gehavende vioolkoffer als enige bagage. Ik neem het mompelende gedruis op en raak de tel kwijt van het aantal bussen. Elke week lozen de bussen tweeduizend migranten op Victoria. Jaarlijks arriveren hier tienduizenden nieuwkomers, een hele stad, evenveel mensen als er in Basildon of Bath wonen.2 Allemaal onderdeel van hetzelfde organisme: het nieuwe Londen. Het begint al licht te worden. De kou prikkelt mijn zenuwen. Ik ben hier omdat ik deze stad niet begrijp. Ik stop mijn mobieltje in mijn zak. Met alleen kijken kom je er niet achter. Op grond van louter cijfers kom je er niet achter. Je moet de mensen zelf aanspreken: mensen die totaal, volkomen anders zijn dan jij. Ik wil met die drie Roma praten. Ik weiger me door een ander te laten vertellen wat zij denken. Ik volg ze het grijze ochtendlicht in. Twee Poolse bouwvakkers hurken bij de ingang bij hun gekreukte plastic tassen; met gebaren vragen ze Franse heertjes in beige trenchcoats om een sigaret. Maar hier zijn die te duur om te delen. Vloekend en scheldend en naar de achterblijvers wenkend stampen de drie Roma-vrouwen de sissende regen in. Alle drie duwen ze een boodschappentrolley, hoog opgetast met supermarkttassen en een half dozijn krukken. Ze lopen alsof ze weten waar ze moeten zijn. Als een dief sluip ik ze op mijn sleetse gympen achterna, intoetsend wat zij zien: voorbijrazend verkeer, waterig licht, de roodbakstenen edwardiaanse kantoorvilla’s met hun zuilenportieken, of de monumentaal vlakke blauwglazen kantoorpuien, waar de zwervers nog boven de ventilatieroosters liggen te slapen. Het is een en al slaapzakken rond Victoria. Zwervers slapen onder de bogen, ze slapen in de vergrendelde portieken, ze slapen in de gebeeldhouwde zuilengalerij, ze slapen langs de ventilatieroosters van het troosteloze space-agewinkelcentrum, ze slapen in de bushokjes, en met tientallen slapen ze op bedden van kranten. Ik zie dat de drie Roma blijven staan en de zwervers opnemen die overal weggekropen zitten in de portieken van de overdadig opgesmukte façades langs de weg naar Buckingham Palace. Ik tel de straatslapers achter hen: zes, zeven, acht. Tweemaal zie ik de vrouwen stilstaan, alsof ze bekenden zoeken. Hoe langer ik ze volg, hoe duidelijker het me wordt dat de Roma een specifieke persoon zoeken in de bollende slaapzakken op de treden van deze gekunstelde steenfantasieën, deze opgetuigde travestieten die tegelijkertijd oud-Grieks en Engels proberen te zijn, waar de weg een bocht maakt langs sinistere hekken van smeedijzeren speren, aangebracht om de paupers uit donkere druipende plantsoenen te weren. Wie zoeken ze onder deze protserige puien?

Ze lopen verder, langs krullerige dorpels en plompe balustrades – een overkill aan geometrieën en kroonlijsten – gevels geboetseerd met die ostentatieve, lukraak uit de historie puttende verbeelding waardoor de Engelsen bevlogen raakten toen ze een wereldmacht waren. De Roma lopen turend langs de ontwakende zwervers tot ze het voorbijrazende verkeer bereiken en schuifelen dan verder langs een vuile stenen muur die de kastanjes tot hun kale kronen aan het oog onttrekt, met zwarte spijlen en prikkeldraad aan de bovenkant. Dit zijn de kantelen rond de paleistuin van Buckingham Palace. De drie Roma kijken fronsend achterom. Ze weten nu dat ze gevolgd worden. Dit is Hyde Park Corner. Omzoomd met grootse pretenties. Het strenge klassieke paleis – dat zich met zijn zuilen en opgedofte frontons de Akropolis waant – was ooit een ziekenhuis. Nu wappert de Union Jack boven het duurste hotel van Londen, waar iedere gast een persoonlijke, perfect afgerichte butler tot zijn beschikking heeft. Ik sta in het vage ochtendlicht en stel me voor hoe bedienden in rokkostuum metershoge deuren opengooien – ooit voor rolstoelen, patiënten en verpleegsters, nu voor sjeiks, oligarchen en plutocraten. Aan de kalkstenen suikertaart aan de overkant die zich voordoet als een Korinthische tempel is echter niets veranderd. Dat is het voormalige paleis van de hertog van Wellington. Zijn aristocratische nageslacht bewoont nog steeds de etages boven het mottige museum. Ik trek een sprintje over de stoep. Ik verlies ze uit het oog bij de monding van een groezelige voetgangerstunnel. De Roma-vrouwen zijn zo snel mogelijk ondergronds gegaan. Hier blijf ik rondhangen, tot ik de Violist uit het duister van de tunnel zie opdoemen. Ik merk meteen dat hij net zo is als zij.’
 

HET GROTE AVI-ZOEKBOEK

 

Een kolossale hardcover voor de aspirant-lezers onder ons leg ik op de speeltafel. Een kostelijk kleurrijk album dat peuters en kleuters al spelende leert lezen heb ik voor mij liggen. Het gaat om het 32 grote bladzijden tellende Het grote AVI- zoekboek van Willy Vandersteen en Standaard Uitgeverij met de ondertitel ‘Junior Suske en Wiske verhalen en zoekplaten voor beginnende lezers’. Om u meteen bij te praten: AVI staat voor Analyse van Individualiseringsvormen waarmee het leesonderwijs sinds 1977 geïndividualiseerd wordt.
Onze kleinzoon Guus uit Voorburg laat zich naar het laat aanzien door zijn ouders geweldig geïnspireerd worden tot het tot zich nemen van boeken. De man van drie turven hoog vindt het reuzeleuk om verhalen voorgelezen te krijgen. Steeds wanneer Guus met de auto bij ons arriveert heeft hij een kijk- en leesalbum in de handen. Onze junior zal wis en waarachtig in de sas zijn met dit zoekboek dat op naam staat van niemand minder dan de Belgische striptekenaar Willy Vandersteen (1913-1990) de bedenker en tekenaar van de stripreeks Suske en Wiske.
Good old Hieronymus van Alphen riep eeuwen terug al uit dat spelen leren is en leren spelen is. Zijn slogan gaat zeker op voor dit album dat van meet tot finish een loflied is op goed uit je doppen kijken, goed luisteren, goed zoeken en goed combineren. Bij de eerste plaat is het meteen prijs, want een verhaal over het bos, aanwijsopdrachten over bos, wip, zon, mus, hut, stam, gras, bij en zoekopdrachten ‘zie jij ook de pop van wis?’ en ‘vind je de hond van sus?’

Om u helemaal ‘in the picture’ van dit grote zoekboek te brengen reik ik u de tekst van de uitgever op de omslag aan. ‘De AVI-verhaaltjes van Junior Suske en Wiske hebben al duizenden kinderen het nodige leesplezier bezorgd en hen begeleid bij het leren lezen. In dit AVI Zoekboek een combinatie van eenvoudige verhaaltjes (om alleen of samen met mama of papa te lezen) met een bijhorende zoekplaat. Wie vindt als eerste alle voorwerpen bij de gekleurde woordjes? En zie je ook Schanulleke en Tobias op de zoekplaat? Beginnend leesplezier gegarandeerd met dit kleurrijke boek!’ Suske en Wiske gaan ook op de step, bakken koek, zijn aan zee, slapen zacht, maken soep, gaan naar school, bezoeken de markt, verkeren op het erf, eten brood, hebben sneeuwpret, Onze Guus komt dit weekeinde weer bij zijn grootouders langs en wij zijn benieuwd hoe de jongeman Suske en Wiske op hun sporen weet te volgen. U hoort nog van mij hoe het kijk- en leesalbum hem bevalt. Zoekboeken zijn in en derhalve wil ik een volgende keer bij u en Guus langskomen met de albums Rik en de beroepen van Liesbet Slegers en Jules en de dieren van Annemie Berebrouckx.

Standaard Uitgeverij praat u for the time being bij door de teksten op de omslagen. ‘Droom jij er ook van om door de ruimte te zweven als een astronaut? Of bak je liever taartjes en knip je graag haartjes? Of wil je fotograaf worden als je groot bent? Rik vindt alle beroepen spannend en wil er graag alles over weten. Hij neemt je mee naar de bakker, de kapper, de dokter… en laat je een heleboel beroepen ontdekken. En Sam de poes gaat natuurlijk mee op stap! Waar heeft Sam de poes zich verstopt? Vind jij de acht verfkwasten van de schilder? Zoek je mee naar de gele lichtjes in de cockpit van het vliegtuig? En hoeveel beertjes tel je in de speelgoedfabriek? Ga mee op ontdekkingstocht met Rik en Sam de poes!’ En over Jules en de dieren: ‘In dit boek ga je met Jules naar de boerderij, de dierenwinkel, het bos en naar zee. Daar zitten talloze dieren en voorwerpen verstopt. Aan jou om alles te zoeken! Ook in de tuin of bij de boomhut van Jules valt er veel te ontdekken. Maar dat is nog niet alles! In dit boek zitten ook stickers die je naar hartenlust kunt kleven ...en opnieuw kleven! Maak jij de zoekplaten compleet? Laat je fantasie de vrije loop. Met dit boek ben je uren zoet!’

MOZAIEK EN INFORMATIEBORD WATERSNOOD 1953

 

Aan Papendrechtse Noordhoek nabij Waterbushalte onthulde wethouder Joke Reuwer op de gepaste datum van 1 februari een informatiebord waarop foto’s en tekst de herinnering levendig houden aan de rampspoed van 64 jaar terug. Het memorabele paneel vormt nu op het pleintje aan het water met het herplaatste mozaïek, dat in 1991 ontworpen is door Theo Viveen, een locatie om een wijle stil te blijven staan. Met in gedachten welk onheil zich daar decennia terug zich voordeed in onze contreien. Omdat de harde wind aan de Noord venijnig kil was, trok de schare aanwezigen na het moment suprême in het spoor van de bestuursleden van  Stichting Dorpsbehoud naar het museum aan de Veerdam om van hun voorzitter Margré van Wijngaarden een terugblik te beluisteren over de Februarivloed. Maar niet nadat er een bloemstukje ter nagedachtenis aan de twee in het geweld van het water omgekomen Papendrechters aan de voet van het nieuwe bord was gelegd. Aan Greetje Kraal (1) en Aart Willem Veth (46). Op toegankelijke en tintelende wijze hield Margré van Wijngaarden haar gloedvolle betoog. Als hommage aan haar geef ik haar woorden integraal aan u door. In de museumkamer viel bij de toehoorders weer eens op hoe het verleden weer tot leven kan komen.  Op voorwaarde wel dat het getrouw opgerakeld  en er een las met het heden gelegd wordt. En dat deed Margré! Cultuurhistoricus Johan Huizinga (1872-1945) lanceerde het begrip historische sensatie waarbij de geschiedenis aanraakbaar wordt. Die februarimiddag gebeurde dat, dankzij Dorpsbehoud. 

Margré van Wijngaarden: ‘ Ik neem u mee naar de avond van 31 januari 1953. Er was een zware Noordwesterstorm, terwijl er die nacht ook springtij zou zijn, waardoor de waterstand nog hoger zou worden. Er was dijkbewaking ingesteld. Het water stond al tegen de dijk aan en door de storm sloegen de golven over de dijk heen, die de zwaar doorweekte dijk verzwakte.
We hadden toen niet de communicatiemiddelen die we nu hebben. De Brandweer werd ingeschakeld om de boeren te waarschuwen van de boerderijen aan de LaGroweg (Parallelweg, evenwijdig aan de Rijksweg). Een aantal koeien en ander vee werd de spoorlijn opgejaagd, omdat men niet wist waar men met al dat vee heen moest. De bewoners van de polder, Boezemsingel, Weteringsingel, Boomgaardstraat en Badhuisstraat en de stoepen en stegen werden met een omroepwagen gewaarschuwd, dat ze tijdelijk hun huis moesten verlaten. Eén mevrouw uit de Weteringsingel was zo in paniek, dat ze in de grote weekendtas alleen een wekker en een schaar meenam. Ook de bevolking langs de dijk werd gewaarschuwd,

Papendrecht telde toen nog veel boerderijen, de meeste stallen bevonden zich benedendijks. De boeren moesten eerst ’s morgens vroeg hun koeien nog melken, maar zetten hun koeien alvast met een halster en een touw met een vluchtlus klaar, die lus kon je met één beweging lostrekken. Althans zo had het moeten gaan. De brandweer kon, na de waarschuwingsronde aan de LaGroweg niet meer terug over de dijk. Terwijl ze in de Veerweg/Veerstoep reden was de dijk al doorgebroken. Een gat van 110 meter breed zorgde ervoor dat het water met donderend geraas de polder in liep, alles met zich meesleurend. Het water kwam tot halverwege de ramen bij alle binnendijks gelegen huizen. Veel vee, groot en klein,  kon niet op tijd naar veilige plekken worden gebracht. Inmiddels waren veel mensen al ondergebracht bij familie of een andere opvangplek. Dat was allemaal niet handig, vooral in de kleine dijkhuizen was het wel proppen met een hele familie erbij, maar het ging. Langzaam aan sijpelde het nieuws door over Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en de Hoeksche Waard, waar bijna 2000 mensen, hele families verdronken waren door de niets ontziende watervloed en duizenden huizen compleet werden weggevaagd. Daar spreekt men sinds die tijd over voor De Ramp en na de Ramp. Maar ook in Papendrecht bleef het niet bij schade aan have en goed.

Boer Hannes Kraal in het Westeind was in de vroege ochtend van die 1e februari nog aan het melken met zijn neef Aart, toen het water al onder de schuurdeur door kwam. Geprobeerd werd het vee naar boven te krijgen, maar de koeien raakten in paniek en waren niet meer aan te sturen. Vader Kraal had in een reiswiegje zijn dochtertje Greetje, maar de wieg werd uit zijn handen geslagen door het stromende water en de storm. Twee dagen later werd het kleine meisje, nog maar 1 jaar oud,  gevonden door een buurman, waarmee de familie in diepe rouw werd gedompeld. Aart Willem Veth woonde met zijn gezin op ’t Zand, hij werkte bij ‘de kabel’ en was in de nacht van 31 januari aan het werk, toen de verhalen rondgingen dat het in Papendrecht spookte. Hij maakte die nacht zijn werk af, ging ’s morgens nog even helpen bij familie aan de Hoogendijk, maar toen wou hij toch echt naar huis. Dat kon niet meer, want de dijk was al doorgebroken. De drang om bij vrouw en kinderen te zijn was te groot. Hij zag een roeibootje en besloot de oversteek te wagen. Het bootje voer ergens op, kantelde en Wim kwam in het sterk stromende water terecht. De familie moest het slechte nieuws worden gebracht: Wim, 46 jaar, was verdronken, hij liet een vrouw van 42 jaar en zeven kinderen achter. Voor de familie Veth begon toen het wachten, wachten tot hij was gevonden. Zoon Cor had op 11 maart ’s middags vrij genomen om zijn vader te gaan zoeken en hij vond hem, bijna zes weken later. Daarmee kwam een eind aan de onzekerheid, maar het verdriet ging nooit meer over.

Het enorme gat in de dijk werd in vijf dagen tijd gedicht, onder leiding van Aannemer Gerrit Dekker,  met de inzet van tientallen vrachtwagens, die achter elkaar bij laag water een zandlichaam stortten, maar ook dankzij de onvermoeibare inzet en hulp van vele Papendrechters en militairen, die zandzakken vulden totdat hun handen kapot waren.
’t Watermesien heeft zes weken gedraaid voordat al het water uit de polder was. Toen konden de mensen weer naar huis, en kon de balans worden opgemaakt: honderden stuks groot en klein vee, schade aan meubilair en huizen, de vloer bedekt met een dikke laag modder, maar het belangrijkste en meest verdrietige: twee mensenlevens.. Van Oostenrijk kreeg Papendrecht 10 houten huizen, die kwamen te staan aan het Weense Plein. Voor de schade kregen mensen een vergoeding uit het ‘Rampenfonds’, waarvoor in heel Nederland geld was opgehaald. Het Deltaplan werd bedacht en uitgevoerd, waarmee men dacht voor altijd veilig te zijn. Dit bleek niet zo te zijn. Vanaf 1975 tot ongeveer 2000 volgden nieuwe dijkverzwaringsplannen, met veel sloop van huizen tot gevolg, maar: de veiligheid van de inmiddels vele duizenden mensen in de Alblasserwaard ging voor alles. Dat toen – ondanks onze protesten – ’t Watermesien ook is gesloopt, hebben wij nooit begrepen.
In 1995 bleek nog eens hoe nietig wij zijn als het water, in dit geval bovenwater van de rivieren, ons bijna letterlijk tot aan de lippen komt te staan. We zijn toen maar op het nippertje aan een ramp ontsnapt, hoewel heel veel Papendrechters, die hier ná ’53 zijn komen wonen, daar geen moment bij hebben stilgestaan. In 2003 werd de Watersnoodramp van 1953 landelijk herdacht. In Papendrecht werd ’s morgens op de plek van de dijkdoorbraak een dijkpaal onthuld door - inmiddels wijlen - Hoogheemraad J.T.W. Visser. Daarna mocht ik bij de Nationale Herdenking in Oude Tonge zijn. Een indrukwekkende herdenking, in aanwezigheid van Koningin Beatrix en minister-president Balkenende. Er was muziek en zang, er waren toespraken en er waren meer dan levensgrote foto’s van De Ramp. Maar wat mij betreft het meest indrukwekkend was het verhaal van een mevrouw, die vertelde over “wat ons overkwam”. Op (ogenschijnlijk) nuchtere wijze vertelde zij wat zich afspeelde in die bange uren,  toen zij en anderen op het dak van een loods zaten te wachten op redding. Daarna was er een regioherdenking in de kerk van Wijngaarden. En in de hele maand februari mede door ons samengestelde fototentoonstellingen in het gemeentehuis en de Bibliotheek.

In ‘Ken uw Dorp’ is vanaf 1983 met regelmaat aandacht besteed aan de Watersnood van ’53. In 2003 wilde ik graag spreken met de nabestaanden van de Papendrechtse slachtoffers. Zij hadden nooit met de pers willen praten, maar voor Ken uw Dorp wilden ze wel een uitzondering maken. En zo zat ik bij twee familie in huis naar hun verhalen te luisteren, waarover ik zo juist een klein stukje vertelde. Wat mij – behalve de nog altijd in- en intrieste verhalen - altijd is bijgebleven: De pijn en het verdriet in hun ogen, vijftig jaar na dato. Hun leven is nooit meer hetzelfde geworden.

En nu is het 1 februari 2017. We gaan zo meteen een blijvende herinnering zien aan De Dijkdoorbraak van 1953; tezamen met het mozaïek is het meer dan een herinnering. Het is ook een waarschuwing. Papendrecht is een dorp aan de rivier, daar zijn we trots op, die rivieren geven veel mensen plezier. Maar deze rustige kabbelende rivieren kunnen nog altijd – vooral door het bovenwater – tot ongekende hoogte stijgen en veranderen in een waterwolf. Om die reden zullen wij constructief meewerken aan plannen van het MIRT, die ons ook in de verre toekomst moeten beschermen tegen overstromingen. Daarnaast willen wij graag ons steentje bijdragen aan de bewustwording van mensen. En doe ik hierbij een oproep om af te stappen van het onzalige plan de sirenes buiten werking te stellen, omdat men denkt alles met social media wel te kunnen regelen, wat onzes inziens een hele grote denkfout is. Ik roep alle bestuurders op, zich hiertegen te verzetten. Wij hoeven niet bang te zijn voor het water, maar moeten er wel ontzag voor hebben en vanuit dat besef plannen ontwikkelen die onze veiligheid zo goed mogelijk zullen waarborgen.
Wij bedanken Theo Viveen, die het mozaïek ontwierp, Wim Schut voor het initiatief het niet verloren te laten gaan en de gemeente Papendrecht voor de bereidheid het mozaïek te verplaatsen, een informatiebord te laten maken en dit alles ook te financieren. Dank daarvoor. Ik sluit af met de wens, dat dit mozaïek en het informatiebord een bijdrage zullen zijn aan het levend houden van een belangrijk stuk geschiedenis en dat wij de Watersnood van 1953 én de slachtoffers daarvan nooit zullen vergeten.’
 

ELF WERKEN UIT HET WARE LEVEN GEGREPEN


Ik heb van u mogen begrijpen dat u net als ik boeken uit het non-fictieve genre beminnen. Op voorwaarde dan dat een aansprekend thema in goede taal  verpakt is. Ik geef u van een elftal nieuwe publicaties de tekst van de uitgever op de omslag. Opdat u het thema in de smiezen krijgt. Wat het hanteren van de taal door de schrijvers betreft: daar staan de uitgeverijen borg voor. U kent die overigens alle door mijn introducties van voorheen, Mag ik van u de drie titels vernemen die u het best bevallen zijn? Aan het eind van de winter wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit en achterhaalt de top drie! U krijgt titel, auteur, ondertitel/genre en uitgever op een rijtje.

1) De man en het hout – Lars Mytting – Atlas Contact
De man en het hout is een onontbeerlijke en praktische handleiding voor alles wat te maken heeft met het kappen, hakken, stapelen en het in de fik steken van alle soorten hout. Wanneer moet je de boom omhakken om het beste brandhout te krijgen? Hoe houd je een kampvuur eindeloos aan de gang? Wat valt er uit de houtstapel af te leiden over het karakter van de stapelaar? Op deze en nog veel meer vragen geeft dit boek een antwoord.









2) Het hebzuchtgas – Jan Terlouw - Geëngageerd sprookje voor jong en oud – De Kring
Julia, de 18-jarige kleindochter van de president van Tradicië, gaat stage lopen bij Solide, het bedrijf van Alphons G. Bovenwoning. Het bedrijf houdt zich bezig met de winning van olie, gas en kolen. Julia snapt niet dat niemand zich er zorgen maakt over het broeikaseffect, totdat ze ontdekt dat Bovenwoning verslaafd is aan hebzuchtgas. Hij kan alleen nog maar aan geld denken. Ze verzint een list om hem van zijn verslaving af te helpen, zodat hij ook oog krijgt voor het milieu. Maar daar laat ze het niet bij. Ze benadert ook de kinderen van de rijke directeuren van de grote energiebedrijven. Om het milieu te redden, bedenken ze samen een gewaagd plan...Voor de liefhebbers van Koning van Katoren!




 


3) Kop uit ’t zand – Jan Terlouw – Novelle over het klimaat – De Kring
Bart en Arie zijn biljartvrienden. Arie, ingenieur bij Rijkswaterstaat, vindt dat de uitputting van de aarde alarmfases 3 heeft bereikt, maarhet lukt hem niet om de wetenschappelijke wereld te mobiliseren; actievoeren zou geen taak voor de wetenschap zijn. Daarom bedenkt hij zelf een dramatische actie waardoor het klimaat éven het gesprek van de dag is. Twintig jaar later breekt een enorme watersnoodramp uit. Grote delen van West-Europa komen onder water te staan. De kinderen van Bart hebben geen geloof meer in de loze beloftes van politici, noch in de
capaciteit van wetenschappers om veranderingen af te dwingen. Ze besluiten zelf het heft in handen te nemen...





4) Lara – Anna Pasternak – Het aangrijpende liefdesverhaal achter dokter Zjivago – Nieuw Amsterdam
Stalin spaarde het leven van Boris Pasternak, maar diens minnares en literaire muze Olga Ivinskaja werd tweemaal naar een Siberisch werkkamp gestuurd; de eerste keer kreeg ze een miskraam van hun kind. Olga heeft lang gedacht en tevergeefs gehoopt dat Boris zijn vrouw voor haar zou verlaten. Anna Pasternak verkent op basis van onbekend bronnenmateriaal en met medewerking van Olga’s dochter het morele handelen van haar oudoom. Alles komt in dit dramatische verhaal bij elkaar: onvoorstelbare moed, loyaliteit en het menselijk tekort. Deze opmerkelijke liefdesrelatie werpt een fascinerend nieuw licht op Boris Pasternak en zijn meesterwerk Dokter Zjivago.





5) De dominee leert vloeken – Rikko Voorberg – Over woede, onmacht en daadkracht – De Arbeiderspers
Rikko Voorberg, een keurige gereformeerde domineeszoon, ontwikkelde zich tot een dwarse, graag gehoorde stem in het maatschappelijk debat: een nieuwe beeldenstormer. Volgens hem moet het anders en kán het anders in onze wereld. Hij bracht Pasen door in vluchtelingenhel Idomeni, heette zedendelinquent Benno L. via een Facebookpagina welkom in zijn straat en zette bekladde huizen van vluchtelingen vol bloemen. In De dominee leert vloeken houdt hij een pleidooi voor woede als middel tegen cynisme, voor opnieuw leren vloeken en voor creatieve, constructieve actie. Als woede volwassen wordt kan die de wereld weer veranderen.


 




6) De goede lezer – Damon Young – Filosoferen over literatuur – Ten Have
Met De goede lezer stelt de Australische filosoof Damon Young niet de auteur maar de lezer zelf centraal. Want we worden niet als lezer geboren - integendeel: lezen is een kunst die we moeten leren. Maar waarom worden dan alleen auteurs geprezen om hun schrijfkunst en is er voor de lezer nauwelijks aandacht? In De goede lezer onderzoekt Damon Young de kunst van het lezen, en wel aan de hand van klassieke aristotelische deugden als nieuwsgierigheid, geduld, trots en matigheid. Young put hiervoor rijkelijk uit de wereldliteratuur. Met evenveel plezier citeert hij Virginia Woolf, Martin Heidegger en Jorge Luis Borges als de Batman-strips, Winnie the Pooh en de avonturen van Sherlock Homes.







7) Verdwenen landen van de wereld – Bjørn Berge – Vijftig markante landen die niet meer bestaan - Xander
Ruim duizend landen kregen de afgelopen 175 jaar een eigen postzegel. De meeste hiervan bestaan echter niet meer. Wat is er met deze landen gebeurd, wat is hun verhaal? In Verdwenen landen van de wereld neemt Bjørn Berge ons terug naar de vijftig meest opvallende landen die inmiddels verdwenen en vaak ook vergeten zijn. Onafhankelijke landen, militaire vestigingen en landen die als bliksemafleiders tussen twee supermachten dienden. Elk land staat symbool voor een aspect uit de wereldgeschiedenis: een bepaalde ideologie, een imperialistische strategie, grondstofwinningsmethode, immigratiestroom of triviale oorlog. Het resultaat is dit rijk geïllustreerde en bovenal uitvoerige verhaal over onze vergeten geschiedenis.

8) Maîtresse van Oranje – Els Launspach – Roman – In de Knipscheer
Maîtresse van Oranje is een intrigerende roman over een cruciaal moment in de geschiedenis van het Nederlandse koningshuis. Het verhaal speelt zich af in Den Haag, in één week, eind maart 1625. Soms vraagt Margaretha van Mechelen zich af waarom ze zich, 18 jaar oud, aan prins Maurits heeft gegeven. Hij, de zoon van Willem van Oranje, protestant, succesvolle veldheer en cynische stadhouder. Zij van verarmde adel, katholiek, liefdevol en plooibaar. Ze is trots en blij als hij hun eerste zoon, de latere Willem van Nassau, naar zijn vader noemt. Ook al verwekt hij kinderen bij zijn nachtvlinders, dit kind is het bewijs van hun relatie, hun trots, hun vrucht. Ze krijgt nog twee kinderen, waarvan de jongste overlijdt. De zonen ontvangen titels, een opleiding, een positie... Was dat al niet meer dan ze kon verwachten? Wanneer Maurits ziek wordt, vraagt hij haar ten huwelijk; bovendien wil hij een portret van haar voor het stadhouderlijk kwartier aan het Binnenhof. Hoe moet ze dit duiden, wil ze dit wel? Maar het leven is eindig en de dynastie zal moeten worden voortgezet.


9) De geroofde meisjes – Wolfgang Bauer – Boko Haram en de terreur in het hart van Afrika – Walburg Pers
In april 2014 overviel een commando-eenheid van de terreurorganisatie Boko Haram het dorp Chibok in het noordoosten van Nigeria en ontvoerde 276 meisjes van het plaatselijke internaat. De internationale gemeenschap reageerde geschokt. Onder de hashtag ‘Bring back our girls’ getuigden beroemdheden als Michelle Obama en de draagster van de Nobelprijs voor de Vrede Malala Yousafzai van hun ontzetting. Het lot van de meisjes uit Chibok staat niet op zichzelf. Tot op de dag van vandaag bevinden zich nog duizenden meisjes in de handen van de Islamisten. In juli 2015 reisde Wolfgang Bauer, verslaggever voor Die Zeit naar Nigeria om te praten met de meisjes die erin slaagden te vluchten. Ze vertellen over hun leven voorafgaand aan de ontvoering, over hun gruwelijke ervaringen in gevangenschap en over hun dromen van een betere toekomst.

10) Slag in de Javazee – Anne Doedens en Liek Mulder – Oorlog tussen Nederland en Japan – Walburg Pers
Op 8 december 1941, een dag na de Japanse aanval op Pearl Harbor, verklaarde de Nederland de oorlog aan Japan. Drie maanden later staakte het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) de strijd. Zo begon de Japanse bezetting van de belangrijkste Nederlandse kolonie, die voortduurde tot 15 augustus 1945. De Nederlands-Japanse Oorlog was onderdeel van de blitzkriegachtige opmars van Japan in Zuidoost-Azië. De Japanners waren veel beter getraind en uitgerust dan de geallieerden die hun strijdkrachten hadden samengevoegd in het American-British-Dutch-Australian Command. Tijdens de Eerste Slag in de Javazee (27/28 februari 1942) kwam schrijnend het verschil tussen de moderne Japanse militaire zeemacht en die van de geallieerden aan het licht. Een geallieerd eskader van veertien oorlogsbodems onder leiding van schout-bij-nacht Karel Doorman was kansloos tegen een vloot van achttien Japanse schepen. In deze ongelijke strijd, inclusief de Tweede Slag in de Javazee op 1 maart, sneuvelden tweeduizend geallieerde marinemannen, onder wie ruim negenhonderd Nederlanders.

11) Rooie rakkers tussen zwarte kousen – Aart Homoet – Een eeuw socialisme in Ede – Homoet & Co (aart@aphomoet.nl)
Hoe kan het dat in een uit de kluiten gewassen christelijk dorp op de Veluwe sinds de Tweede Wereldoorlog de Staatkundige Gereformeerde Partij tot 2010 nooit en de Partij van de Arbeid altijd vertegenwoordigd is in het College van Burgemeester en Wethouders? En welke rol speelde het Christen Democratisch Appèl hierin? Waarom werd De Nooy geen wethouder en wat was de reden van het plotselinge vertrek van de dominante PvdA-wethouder Jaap Modder?
Waarom was er tot 1986 geen openbare school voor HAVO/VWO in Ede en is de samenwerking tussen PvdA en GroenLinks/Progressief Ede nooit gelukt? Was de wereldwijde aandacht voor 'feestvierende Marokkaantjes' na de aanslagen van 'nine-eleven' terecht en waarom werd de bouw van de moskee eindeloos vertraagd? Wat is de omgekeerde Nolens-doctrine en hoe werkt het Ederveen-syndroom? Deze vragen worden beantwoord in Rooie rakkers tussen zwarte kousen. Een eeuw socialisme in Ede'. De auteur heeft na jarenlang onderzoek de rol en betekenis van de PvdA en GL/PE en hun relatie met CDA en SGP in beeld gebracht. Hij heeft meer dan zestig betrokkenen uit alle politieke geledingen geïnterviewd en hun soms tegenstrijdige herinneringen gecombineerd met de notulen van de gemeeteraad, talloze berichten in de lokale media en verslagen van bijeenkomsten van verschillende politieke partijen. Het geheel geeft een helder inzicht in de werking van de lokale politiek, de rol van persoonlijke verhoudingen en de macht van tradities.