09-05-2016

OP VOET VAN OORLOG

 

 

Een schrijnend, openhartig, nuchter, meeslepend relaas uit een bestaand gezin heb ik voor u, waarop ik tijdens een kerkdienst gewezen werd. Het gaat om het 304 bladzijden tellende Op voet van oorlog van Willeke Stadtman en van Atlas Contact met de ondertitel ‘Een familiegeschiedenis’. Dominee Tack uit Bodegraven bracht een week terug in de Bethlehemkerk van Papendrecht een gloedvolle preek, waarin hij een voorbeeld etaleerde van hoe lang wij een vermoede verkeerde houding uit het verleden elkaar kunnen blijven aanrekenen. Het betrof een greep uit de realiteit, die door de dochter van een vroegere NSB’er geboekstaafd is. Om preciezer te zijn: Willeke Stadtman met geboortejaar 1950 vertelt in Op voet van oorlog hoe haar destijds foute vader meer dan twee decennia na de Tweede Wereldoorlog door een buitenstaander zijn verkeerde houding plotseling niet alleen voor de voeten geworpen wordt, maar ook onomwonden verweten wordt. In 1967 krijgt de in de jaren veertig gestrafte Karel Stadtman van de voorzitter van een voetbalvereniging de opdracht zijn vrijwilligerswerk bij de club op te zeggen.

Ik citeer dochter Willeke op blz.134: ‘Ja, eh,’ Van Woensel (‘de preses’) richtte zijn blik op een onzichtbaar punt ver boven het hoofd van mijn vader, ik weet niet zo goed hoe ik het je moet vertellen, maar ons bestuur heeft berichten ontvangen over je oorlogsverleden. Als vereniging hebben wij vanzelfsprekend een voorbeeldfunctievoor jongeren en nu wij weten wat jij natuurlijk zelf ook weet, lijkt het ons het beste dat jij besluit om je activiteiten voor onze club met onmiddellijke ingang te beëindigen. Dat is beter dan dat wij jou uitsluiten. Zo houd je de eer aan jezelf.’ Stadtman die, geplaagd door het persoonlijk verleden, zijn frustraties niet alleen bizar afreageert in zijn gezin, maar daaraan desondanks  buitenshuis een positieve draai tracht te geven, krijgt aldus genadeklap. U begrijpt dat ik als aandachtige kerkganger en als gedreven lezer van vooral non-fictieve boeken de maandag na de dienst Op voet van oorlog bij onze bevriende uitgeverij aanvroeg en die de dagen daarna tot mij nam. Mijn eis die ik bij non-fictie immer stel is dat die in goed, literair proza vervat is. Ik haast mij te zeggen; auteur Stadtman reikt dat ten volle aan. Ik wil u het proza van Willeke Stadtman doen proeven door haar eerste episode uit de ouverture ‘April 2000’ integraal aan u door te geven. De volgende keer maak ik het chapiter met u af. Een vondst van Stadtman is overigens dat zij haar hoofdstukken via de titels in de tijd gedrenkt heeft. Zo gaat haar laatste fragment als ‘November 2010’. Het effect is dan vooral dat haar rapportage waarheidsgetrouw overkomt. Voor dat ik het citaat geef, laat ik de auteur haar geloofsbrief afgeven, zoals zij die onlangs in dagblad Trouw in de rubriek Vandaar dit boek’ via Co Welgraven deed ontstaan.

Trouw: ‘Hoe mensen kunnen ontsporen in hun leven en wat voor consequenties dat heeft, dat verhaal wil ik vertellen. Ik heb dat namelijk van dichtbij meegemaakt, in het gezin waarin ik ben opgegroeid. Mijn vader was fout in de oorlog. Hij is daardoor relatief zwaar gestraft: hij kreeg vijf jaar en verloor bovendien voor tien jaar zijn burgerrechten. Dat heeft niet alleen hem getekend voor de rest van zijn leven, maar ook mijn zusje en twee broers. Op 7 april 2000, het liep tegen middernacht, stonden er bij mij twee agenten op de stoep. Wilfred, mijn jongste broer, had een einde gemaakt aan zijn leven; een maand later kreeg mijn oudste broer een zwaar ongeluk. Dat was het moment waarop ik besloot een boek te schrijven. Ik ben eraan begonnen nadat ik met werken was gestopt. Mijn boek is een reconstructie van de teloorgang van ons gezin. Ik had het inderdaad voor mezelf kunnen houden. Maar ik heb juist willen laten zien wat er gebeurt als een gezin in een samenleving geen plek krijgt, een stempel draagt waar niet meer aan te ontkomen valt. Het is een tragedie die zich over de generaties heen sleept. Mijn vader was zowel dader als slachtoffer. En dan bedoel ik absoluut niet een slachtoffer in de categorie oorlogsslachtoffer, maar in een andere categorie, namelijk van mensen die de ongelukkige loop die hun leven heeft genomen, die verbitterd zijn gebleven en die daarmee hun kinderen hebben geïnfecteerd, Hij heeft geprobeerd zijn fout te herstellen. Hij deed bijvoorbeeld vrijwilligerswerk, bij de plaatselijke voetbalvereniging waar hij grensrechter was. Dat betekende veel voor hem, zo deed hij toch weer mee in de samenleving. Op een avond in april 1967 kwam de voorzitter langs met de boodschap dat m’n vader moest stoppen, de club kon zich niet permitteren geassocieerd te worden met iemand die fout was in de oorlog. Ik zat erbij, het was echt verschrikkelijk. Die mededeling heeft hem gebroken, daarna heeft ie het opgegeven. Ik was zestien, twee jaar later ging ik het huis uit, maar mijn jongere zusje en broertjes bleven er nog jaren wonen. Zij hebben nog veel indringender dan ik het beeld meegekregen van een vader voor wie het leven één grote mislukking was, die alles wat hij ondernam zag stranden. Hij was ervan overtuigd dat mijn broer Wilfred werd afgewezen voor de KMA in Breda vanwege zijn oorlogsverleden.

Ik heb in dit boek de nuance willen zoeken tussen goed en fout, het  verhaal vertellen van binnenuit, een persoonlijke geschiedenis, waarin duidelijk wordt hoe een gezin de nasleep van de oorlog kan voelen. Met z’n zessen leefden wij voortdurend op voet van oorlog met het verleden, zoals het verleden op voet van oorlog met ons leefde. Het schrijven is ook een zoektocht geweest. Waarom is het zo gegaan? Waarom kon niemand voorkomen dat het gezin op deze manier is afgegleden? Waarom heeft niemand ons geholpen? Toen ik aan het boek begon, had ik al voldoende afstand genomen tot het onderwerp. Maar toen ik eraan werkte kwam het steeds dichter op m’n huid te zitten. Dus heb het niet van me af geschreven, het is eerder dichterbij gekomen. Het is een tragisch verhaal, maar ik heb het met een luchtige pen opgeschreven – er valt ook wat te lachen. Dit boek had ik niet kunnen publiceren toen mijn ouders nog leefden. Het is zeker geen afrekening met ze. Ik ben boos op ze geweest, maar voelde vooral medelijden vanwege hun onmacht en onvermogen. Maar ik vel geen oordeel. Dat laat ik aan de lezer. Ondanks alles hield ik van mijn ouders.’

Willeke Stadtman: ‘Uitgerekend die avond ben ik verkleed als Shirley Temple: een wilde bos krullen, een grote strik, een jurkje met een gesmokt bovenlijfje, blauwe maillot, ballerina’s en rode blosjes op de wangen. Het loopt tegen middernacht, als de bel gaat. Ton doet open, ik zet de muziek zachter. Ik hoor stemmen in de hal, ze noemen mijn naam. ‘Komt u verder,’ zegt Ton. Twee jonge mensen, een man en een vrouw, lopen de huiskamer in. Ze kiezen positie naast de open haard, stellen zich niet voor. Vanuit mijn stoel bij het raam, twee treetjes lager, zie ik een onheilspellende wand, opgetrokken uit blauwe uniformen, de broekspijpen in lichte spreidstand. Er valt een stilte. Ze lijken onthand, alsof ze niet weten hoe het verder moet. Ineens besef ik dat ik een split second verwijderd ben van wat voor altijd het verschil zal zijn tussen ervoor en erna. ‘We hebben uw zoon gevonden,’ zegt de man, de woorden roffelen zijn mond uit. ‘Het spijt me verschrikkelijk, hij is dood, we konden niets meer voor hem doen.’ Zoon, welke zoon? Ik heb er twee. Zolang ik niets vraag, is er niemand dood. Ze staren me aan, onthutst door de boodschap die ze zelf zojuist hebben gebracht. Ik stel een vraag, het gaat buiten me om, ik wil helemaal niet weten wie er dood is. De vrouw pakt een verfrommeld papiertje uit haar broekzak en strijkt het met haar duim zorgvuldig glad. ‘De politie heeft het lichaam van uw zoon en van een hond aangetroffen in zijn huis aan de Venlosingel in Arnhem. De buren hadden hem al geruime tijd niet gezien en toen ze door de brievenbus gluurden, zagen ze tegen de achterwand een wit bord met zwarte letters: Let op, in de berging ligt een lijk. De intense opluchting en direct daarna de schaamte: ik mag niet opgelucht zijn, Wilfred is dood. ‘Het is haar broer,’ zegt Ton. ‘Heeft hij zich van kant gemaakt?’ Ik schrik van mijn eigen woorden. De vrouw kijkt naar het briefje in haar hand, ze maakt er met haar vingers een propje van en stopt het terug in haar zak. De man zet zijn voeten wat verder uit elkaar, maakt zich breed, recht zijn rug, en steekt een hand in zijn broekzak. ‘Vermoedelijk gaat het inderdaad om zelfmoord.’ ‘U had het over een hond?’ ‘Die lag naast hem.’ ‘Een grote zwarte hond?’ De agent knikt. ‘Kim,’ zeg ik tegen Ton, ‘Kim is ook dood.’ ‘Het lichaam van uw broer is overgebracht naar het politiebureau in Arnhem,’ zegt de vrouw, ‘op dit adres kunt u morgen vanaf tien uur terecht voor de identificatie.’ Ton neemt het kaartje aan. ‘Veel sterkte,’ mompelt ze. Onzeker steekt ze haar hand op, ze komen er zelf wel uit. De voordeur valt in het slot. Als ze vertrokken zijn, realiseer ik me hoe ik detoneerde met het doodsbericht. Zij konden niet weten dat ik die avond had meegedaan aan een playbackshow voor bejaarden. Waarschijnlijk kenden ze Shirley Temple niet eens. Met een ruk trek ik de grote roze strik uit mijn haar. Natuurlijk wist ik dat Wilfred flirtte met de dood. Dat de dood gaandeweg aangenaam gezelschap voor hem werd, een vriend bij wie hij altijd terecht kon.

In de auto, onderweg naar het mortuarium, bel ik mijn zus Karin, mijn broer Wicher – die sinds kort met zijn gezin in Egypte woont – en mijn drie kinderen. Ik ben een koopman die met de verkeerde waar langs de deuren gaat. Overvallen door het bericht hakkelen ze sleetse woorden die henzelf misschien teleurstellen, maar mij niet. Mijn moeder sla ik over. Ik vermoed dat ze – nog in haar duster – met een krant en een sigaretje aan de koffie zit en uitkijkt over de tuin die langzaam tot bloei komt. Ze zal schrikken als ze ons vanmiddag onverwacht door het tuinhekje ziet komen. Het politiebureau is in de greep van een grootscheepse renovatie: zand, hijskranen en tijdelijke paden bedekt met ijzeren platen. Met enige moeite vinden Ton en ik de ingang. Achter de balie zit een jonge Surinaamse vrouw met een imposant decolleté in een veel te krap jurkje. Ze heeft vlechtjes in het haar, sommige zijn versierd met een kleurig strikje. In haar hand heeft ze een potje felblauwe nagellak dat ze net met haar mollige vingers wilde opendraaien. Ze kijkt ons verveeld aan. ‘We zijn op zoek naar het mortuarium,’ zeg ik. Achteloos wijst ze met haar vinger, haar hoofd beweegt niet mee. ‘U gaat door die rechterdeur daar, u neemt de lift naar beneden en dan ziet u het vanzelf.’ Beneden gekomen lopen we op goed geluk naar een gebouwtje iets verderop. Via een provisorisch pad bereiken we een deur die ooit egaal groen was. We duwen hem open, hij is zwaar, maar ineens geeft hij mee. We tuimelen min of meer naar binnen en staan dan pal voor het onbedekte lichaam van mijn broer, dat op nog geen anderhalve meter van de deuropening op een brancard ligt. Links in de hoek beweegt iemand, hij doet een stap naar voren, geeft ons een hand. ‘In verband met de identificatie hebben we geprobeerd hem zo toonbaar mogelijk te maken,’ zegt de agent. Aan zijn gezicht te zien moet dat nog een hele toer zijn geweest. Ik kijk naar het lichaam en knik naar de agent, het is onmiskenbaar: hij is het, Wilfred. Daar ligt hij, zijn hoofd is kaal, hij is volkomen uitgemergeld. Om zijn heupen draagt hij een luier met plakstrips, verder is hij naakt.

Hij doet me denken aan een kampslachtoffer: bleek, bloot, uitgehongerd en ontdaan van elke menselijkheid.’
 

EEN WOORD EEN WOORD

 

Een geweldig gaaf boek uit het genre van de non-fictie heb ik voor u, dat een zoektocht wil zijn naar verbaal verzet tegen bruut geweld. Het gaat om het 286 bladzijden tellende Een woord een woord van Frank Westerman en van De Bezige Bij. Ik haast mij te zeggen dat de beste aanbeveling van dit uit het leven gegrepen relaas ligt in de werken die ik van Westerman eerder bij u mocht introduceren: De graanrepubliekAraratDier, bovendierStikvallei en De slag om Srebrenica. Ik ben het met Aleid Truijens helemaal eens, als zij zegt dat Westerman een meester is in het genre van goede non-fictie, die voluit tot de literatuur behoort. Het voor mij bijzondere en onderhoudende is bij deze nieuweling van de in Emmen in 1964 geboren journalist en schrijver, dat hij het collectief  en individueel verleden in u en mij oprakelt. Bij zijn Proloog, die ik straks aan u doorgeef, is het meteen al raak: de toen zevenjarige auteur doet een live verslag van de finish van een drama in eigen provincie, in Bovensmilde aan de Drentse Hoofdvaart. Beelden en woorden komen in mij boven van de schoolgijzeling in Bovensmilde en de treinkaping bij De Punt die jonge tweede generatie Molukkers in mei en juni 1977 uitvoerden, met het doel de Nederlandse regering, onder aanvoering van minister-president Joop den Uyl,  een onafhankelijke Molukse Staat bij de Verenigde Naties te doen bepleiten. De zogenoemde Molukse Acties in de jaren zeventig verzandden echter hierdoor volgens Westerman dat de officiële koers was zo lang mogelijk proberen te onderhandelen met de gijzelnemers. Het zeg maar knappe van Westerman is dat hij als het ware boven op het nieuws zit, dat hij een rechtstreeks verslag geeft van het onheil dat hij als kind meemaakte. De proloog etaleert dat in optima forma.

Een van de motieven in Een woord een woord is de Dutch Approach, de handelwijze van de Nederlandse overheid bij gijzelingsacties: de kapers door de onderhandelaars zo lang mogelijk aan de praat houden, tijd rekken en niet toegeven aan de eisen van de kapers. Struinende door Een woord een woord traceerde ik dat het parlement aan het Binnenhof buiten spel stond, of beter; zichzelf buiten het spel hield, het doen en laten overliet aan minister Dries van Agt en zijn. Het is nu heel andere koek, de meeste 150 leden van de Tweede Kamer bemoeien zich met de handelwijze van de regering of uiten meteen hun politiek standpunt. Ook is frappant dat de gijzelingsacties in ons land doodliepen, omdat de impact op het denken van de burger niet groot was. Westerman reconstrueert in Een woord een woord de gewelddadige gebeurtenissen van toen in binnen- en buitenland niet alleen, hij gaat ook op zoek naar het wel en wee later van de kapers, hij praat met de psychiaters die destijds al maar bleven praten met de kapers, bezoekt hij het oefendorp voor terreurbestrijding Ossendrecht-2, volgt een cursus in onderhandelen en simuleert mee bij een pseudovliegtuigkaping. De vraag die hij zich gaandeweg stelt is of de gijzelnemers van nu wel zich door woorden laten leiden. Zijn de hedendaagse kapers bereid zich te laten leiden door de gedachte dat een man een man, een woord een woord is? Hechten zij waarde aan de belofte van autoriteiten? In deze is veelzeggend het vignet op de binnenzijde van de flap van Een woord een woord: een bajonet gehecht aan een vulpen, Is het geschreven of gesproken woord sterker dan het getrokken geweer of de uitgestoken bajonet? Als wij hier later met elkaar door het gezegde van Westerman trekken, zullen wij uitzien naar een antwoord. Voor mijn citaat reik ik u eerst de tekst van de uitgever aan.

De Bezige Bij:‘De pen is machtiger dan het zwaard.’ We willen het graag geloven. Maar is het waar? Als kind maakte Frank Westerman de Molukse treinkapingen van dichtbij mee; als correspondent was hij getuige van de Tsjetsjeense terreur in Rusland. Vanuit deze ingrijpende ervaringen voert hij de lezer mee naar een reeks gijzeldrama’s van Bovensmilde tot Beslan.

In Een woord een woord test Frank Westerman de kracht van het vrije woord onder het gewicht van de actuele aanslagen sinds Charlie Hebdo. Hij mengt zich onder terrorisme-experts in Parijs en drinkt muntthee met een ex-treinkaper die dichter is geworden. Om aan den lijve te voelen wat taal kan uitrichten tegen terreur volgt hij een training tot gijzelingsonderhandelaar in een oefendorp van de politie. Wat vermag het woord tegen de kogel? Een woord een woord is een bevlogen zoektocht naar een weerwoord op terreur - op het snijvlak van beschaving en barbarij.’
Frank Westerman: ‘Het voorspelde onweer zet almaar niet door. De avondlucht is plakkerig, er komen wolken opzetten en het begint te waaien. Toch brengt de wind geen verkoeling. Van mijn moeder mag ik in de logeerkamer slapen, op het noorden. Midden in de nacht schrik ik wakker van een lawaai dat ik niet ken. Iets tussen geronk en geratel in. De deur van de logeerkamer gaat open. Mijn moeder, in haar ochtendjas, komt naar me toe. Maar ik sla het laken weg en spring op naar het raam. In het licht van de lantaarn op de hoek rijdt een tank. Het ding schokt een meter vooruit en dan weer achteruit. Een soldaat geeft aanwijzingen. De tank wordt geparkeerd naast onze oprit, onder het bord doodlopende straat. Het moet zaterdag 11 juni 1977 zijn geweest, tussen vier uur en halfvijf in de nacht. Al drie weken is er politie bij ons in de straat. De gereformeerde kerk en de bunker van de Burger Bescherming zijn afgezet met hekken en linten: daar zitten het perscentrum en de crisisstaf voor de treinkaping en de schoolgijzeling die zich tegelijk afspelen. Nu ineens, deze nacht, wordt er een extra barricade opgeworpen, in een wijdere lus die ook ons huis omsluit. ‘Ze gaan de gijzelaars bevrijden,’ zegt mijn vader, die ook is opgestaan. Hij heeft de radio aangezet, maar daar is alleen muziek op. In het morgenlicht verkleurt de tank van zwart naar blauw. Er blijkt geen kanonloop op te zitten. Het is ook geen tank maar een pantservoertuig. Mijn zus is naast me komen staan. Dan beginnen de ruiten in alle kamers te dansen in hun sponningen. De ene na de andere straaljager giert door de lucht, het is nog te donker om ze te zien. Hoeveel zijn het er wel niet? Als de laatste straaljager is overgevlogen en niet meer terugkeert, schiet ik een broek en een t-shirt aan. Ik kauw een boterham weg, pas daarna mag ik naar Hans Top aan de overkant. Hans is mijn beste vriend.

De zon is nog niet op wanneer we als gekooide dieren heen en weer lopen door onze doodlopende straat, tot aan de garageboxen en terug. De soldaten wenken ons. Als we hier wonen, zeggen ze, kunnen we een pasje krijgen. Daarmee mogen we langs de afzetting zodat we niet opgesloten zitten. Een luik aan de zijkant van de pantserwagen staat open. We mogen om de beurt even naar binnen, de buikholte is een donkere cockpit. Er hangen draden met koptelefoons van het plafond. Zodra onze kartonnen naamkaartjes klaar zijn, gaan we ze uitproberen. Midden op het kruispunt staat een machinegeweer op een driepoot. Er hangt een band met patronen uit als een sliert rotjes, maar dan glimmend. Hans en ik tonen onze pasjes, en ja, wij mogen erlangs: de soldaten schuiven de prikkeldraadrollen die dwars over de weg liggen een stukje voor ons opzij. Terug binnen de afzetting kan ook, de soldaten lachen wat, en nee, we hoeven onze pasjes niet nog eens te laten zien. Het prikkeldraad is ongewoon, er zitten geen stekels aan maar mesjes. ‘NAVO-prikkeldraad,’ weet Hans, die twee jaar ouder is dan ik en in de brugklas zit. Het is windstil, het begin van een hete dag. Plotseling gaat de stilte aan flarden door een geraas dat tegen de torenflat weerkaatst. Vanaf de bocht bij de weilanden komt een motor aangescheurd. Er zitten twee mannen op met zwarte haren, zonder helmen. De coureur geeft gas en schiet recht op ons af. Op het laatste moment remt hij en slaat dan links af, de Speenkruidstraat in. De militairen dirigeren Hans en mij naar de stoep. Vanachter de berken in onze tuin horen we de motor in een boog om onze wijk heen cirkelen. Met tussenpozen van enkele minuten komen ze nog een paar keer op het prikkeldraad afgevlogen. De bijrijder zwaait met een lap in de kleuren blauw-wit-groen en rood. Het is de vlag van de RMS, weet ik inmiddels, de Republik Maluku Selatan. Daar heb ik postzegels van: een serie van acht met tropische vlinders erop – ongestempeld.’ U zult met mij achterhaald hebben dat Westerman weer op dreef is met zijn prachtig proza dat verhaalt over zaken die er echt toe doen!

NIEUWE LUSTEN

 

Een bundel korte verhalen heb ik voor u die een beroemd drieluik van een wijd en zijn vermaard kunstenaar in de zon zet. Het gaat om de 256 bladzijden tellende, adequaat geïllustreerde hardcover Nieuwe lusten samengesteld door H.M. van den Brink en uitgegeven door De Geus met de ondertitel ’22 verhalen uit De tuin der Lusten van Jeroen Bosch’. De afbeeldingen op de wikkels en schutbladen van het mysterieuze, meesterlijke, monsterlijke, mystieke werk, dat in het Padro in Madrid staat te intrigeren, zetten de toon. Daar ik in dit Jeroen Bosch-jaar heel wat keren met u in onze rubriek van gedachten gewisseld heb over de tocht die ik door het Noordbrabants Museum in ’s Hertogenbosch heb mogen maken en over de vele boeken die ik over deze fenomenale, oorspronkelijke, vernieuwende gangmaker tot mij heb mogen nemen, kan ik als entree nu volstaan met de ouverture van Wikipedia. Vervolgens geef ik u de tekst van de site en ook integraal het voorwoord ‘Drieluik’ van Maarten van den Brink. Het meest verrukkelijk en het meest verbazende van deze boeiende bundel is dat meer dan twintig vooraanstaande auteurs van nu van eigen bodem ieder voor zich de lust vonden zich te laten meeslepen, verleiden, overrompelen door een bericht uit de visuele wereld. Dat overkwam schrijvers die van tijd tot tijd ook hun opwachting maakten in onze rubriek. Zoals Arnon Grunberg, Gustaaf Peek, Nelleke Noordervliet, Adriaan van Dis,Manon Uphoff, Maartje Wortel en Willem Jan Otten. Een volgende keer gaan wij hier hen en hun collega’s op  hun Bosch -toer volgen!

Wikipedia: ‘Jheronimus (Joen) Bosch ('s-Hertogenbosch circa 1450 – aldaar begraven, 9 augustus 1516), postuum ook Jeroen Bosch of Hiëronymus Bosch genoemd, geboren als Jheronimus van Aken, was een Zuid-Nederlands kunstschilderbehorend tot de Noordelijke renaissance. Hij ging de geschiedenis in als ‘den duvelmakere’ (de schepper van duivels) en als schilder van satirische voorstellingen, maar hij is vooral van betekenis als vernieuwer van de bestaande beeldtraditie. Hij gaf op vindingrijke wijze invulling aan bestaande motieven en bedacht een reeks van nieuwe composities. Het gevolg hiervan is dat de precieze betekenis van een deel van zijn werk vandaag de dag onbekend is. Hoewel hij al tijdens zijn leven een beroemd schilder was, en hij opdrachten van het hertogelijk hof in Brussel kreeg, is er vrij weinig over hem bekend.
De site ‘Tot mijn verrassing, mijn aangename verrassing, zeiden alle benaderde auteurs meteen “ja” op het verzoek om een verhaal naar aanleiding van De Tuin der lusten te schrijven. Hoe dat komt? Ik denk dat het met de dubbelzinnigheid van het schilderij te maken heeft. De afbeeldingen zijn heel concreet en raadselachtig tegelijk. Ze bieden zowel een aanknopingspunt als ruimte voor het eigen verhaal van iedere schrijver. Het is fascinerend om te lezen hoe verschillend, hoe persoonlijk en hoe eigentijds de beelden van Jeroen Bosch kunnen worden vertaald. De tweeëntwintig stukken vormen samen een nieuw tableau dat uitblinkt door zijn wellustige gevarieerdheid.’ 

Het voorwoord Drieluik: ‘Er zijn wel duizenden interpretaties mogelijk van De Tuin der Lusten en niet één is de juiste. Dan had Jeroen Bosch ook maar duidelijker moeten zijn toen hij zijn drieluik schilderde. Zoals het er nu uitziet moet het zelfs voor zijn tijdgenoten voornamelijk een raadsel zijn geweest. Wanneer de houten panelen zijn dichtgeklapt is er een afbeelding te zien waarop de aarde tegelijk bol en plat verschijnt. Ze is grijs, woest en ledig – op het water na en de planten. Het is de wereld na de derde scheppingsdag, een wereld die nog in de grondverf staat, zonder het drama van liefde en moord, van dieren en mensen. Maar waarom ziet dat er zo onaantrekkelijk uit? En wie is dat figuurtje linksboven in de donkere wolken, met de kroon en het boek? Ernaast staat in het Latijn: ‘Hij sprak en het was er. Hij gebood en het was geschapen.’ Als dit de Schepper zelf is, waarom dan zo’n bescheiden persoontje, waarom houdt de aarde niet in zijn almachtige hand? Kan het zijn dat we hier niet God zien maar de schilder zelf, die zich een godgelijke waant? Bij het openklappen van de luiken komt een dichtbevolkt landschap tevoorschijn. Aan de linkerkant een overwegend groen gebied met meer dieren dan mensen, op het middenpaneel een wervelende dans van blote mannen- en vrouwenlijven en rechts een nachtelijk tafereel, waarin wellust een gruwelijk einde lijkt te vinden. Is het de wordingsgang van het paradijs via het zondige leven naar de hel? Of wil de schilder ons vertellen dat alle paradijzen schijn zijn? Ook op het linkerpaneel wordt immers al gestorven en op alle drie zijn suggestieve vleeskleurige bouwsels te zien, bolvormige omhulsels,spuitende fonteinen, alleen rechts ook nog aangevuld met door mensen gemaakte artefacten. Misschien zijn de mannen en  de vrouwen zich op het middenstuk nog helemaal  niet van hun zondigheid bewust.

Het werk van Jeroen Bosch is uniek doordat zijn figuren en composities volgens geen enkele iconografische traditie helemaal te verklaren zijn. Hier en daar is een Bijbelse scene te herkennen, of een symbool uit de mythologie. De uil bijvoorbeeld staat niet alleen voor wijsheid, maar is ook een verraderlijk beest, omdat hij zijn prooi overvalt in het donker. De aardbei, dat wist destijds iedereen, is een bij uitstek zondige vrucht. De zeemeermin en de behaarde wildeman zijn ongeremde wezens. Muziekinstrumenten zijn het gereedschap van de duivel. Maar minstens zo veel van wat is afgebeeld past binnen geen enkel schema. En dat geldt dus ook voor de strekking van dit parklandschap als geheel. De beschouwer kan niet anders dan de beelden vullen en aanvullen met zijn eigen gedachten en ervaringen. Hij wordt bijna gedwongen om zelf een samenhang, een verhaal te verzinnen. Aangenomen word dat De Tuin der Lusten is vervaardigd om in de Sint-Jan van Den Bosch te hangen. Maar je kunt je afvragen of de strekking van dit alles wel zo vroom is als de opdrachtgevers daartoe verlangden. Heeft de kunstenaar niet vooral de gelegenheid te baat genomen om eens helemaal los te gaan in het tonen van perverse fantasieën en een staaltje te laten zien van wat hij op schilderkunstig gebied allemaal vermocht? Een deel van de exotische flora en fauna nam hij zelfs over van prenten en tekeningen die door anderen waren gemaakt.

Jeroen Bosch is een en al dubbelzinnigheid. Dat vormt een probleem voor de theologie en de moraal, maar het is een zegen voor de kunst. Het geeft aan zijn mysterieuze drieluik, hoewel zichtbaar afkomstig uit de late middeleeuwen, ook iets tijdloos. Wellust, angst, pijn en genot worden steeds weer opnieuw ervaren en tegelijk raken ze aan iets ouds. aan oerbeelden en oerervaringen, zodat in het schijnbaar actuele ook altijd het oude resoneert. De Tuin der Lusten nodigt de beschouwers van toen en nu uit om dat alles van een eigen invulling te voorzien. Die vrijheid hebben de tweeëntwintig auteurs van deze bundel dan ook genomen. Ze hebben de thema’s van Jeroen Bosch, op ons verzoek, niet vertaald naar nu en ook niet historisch geïnterpreteerd, maar hebben vrij geassocieerd en verder gedacht naar aanleiding van de scènes die we hun hebben aangeboden. Het resultaat is nog gevarieerder geworden dan we hoopten. Zelfs aan onze wens om fictie te schrijven heeft een enkeling zich niet willen houden; ook argumenteren is soms een lust, en ‘nieuwe beperkingen’ was het uitgangspunt nu eenmaal niet. Dit boek maakt deel uit van een groter project, dat ter gelegenheid van het Jeroen Bosch-jaar geïnitieerd werd door MOTI, het museum voor beeldcultuur. In het begin was er het woord, toen de beelden van De Tuin der Lusten. De tweeëntwintig nieuwe verhalen die door de beelden zijn geïnspireerd, worden op hun beurt weer de aanleiding voor een reeks bewegende beelden, die door een groep getalenteerde animatoren zijn gemaakt en in 2016 in de zalen van het museum worden geprojecteerd. Van woord naar beeld, van beeld naar woord, en zo verder, laag op laag, zoals op oude schilderijen en in palimpsesten. De wisselwerking tussen de verschillende niveaus is fascinerend, maar ze kunnen ook afzonderlijk worden genoten. Die vrijheid heeft Jeroen Bosch ooit voor ons veroverd. We zijn hem er nog steeds dankbaar voor.’  U weet nu dat de bundel Nieuwe lusten bestaat. Aan u is het dit boek ook tot u te gaan nemen!


 

TWAALF TINTELENDE TIPS


Op mijn wenken voor een goed boek die ik een week terug aan u doorgaf onder de titel van De twee wereldoorlogen in woorden vervat mocht ik zoveel dankbare reacties van u ontvangen dat ik het weer aandurf. Ik reik u de tekst van de uitgever op de omslag aan met vermelding van titel, genre of ondertitel, auteur, uitgever en aantal bladzijden. Met een knipoog naar het inderdaad begonnen voorjaar komt het mij voor dat u met een (of meer!) van de volgende twaalf boeken heerlijk lui in de tuin of op lekker ontspannen op het balkon kunt vertieren. Ook leent het twaalftal zich ook goed voor de koffer die u in de komende vakantie gaat voorzien van lectuur. Over een paar weken wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit!
 
1) Drie dagen – roman – Nina Roos – De Harmonie – 178 blz.
‘Vincent, directeur van Vochtwering Compleet, moet voor een kleine ingreep naar de dokter. Zijn vrouw Isabeau vertrekt na een woordenwisseling naar een warm eiland en broer Mart is voor het eerst gaan samenwonen. In de roman Drie dagen kruipt Nina Roos drie dagen lang in de hoofden van haar personages. Door middel van telefoongesprekken, regieaanwijzingen en streams of consciousness ontvouwt de binnen- en buitenkant van elk personage zich gaandeweg voor de ogen van de lezer. In haar onnavolgbare stijl weet Nina Roos drie volstrekte authentieke personages neer te zetten.’




2) Veenbrand – literaire thriller – Karin Fossum – Marmer – 280 blz.
‘In een caravan op het terrein van een boer worden de lichamen gevonden van een vrouw en een klein kind. Ze zijn met messteken om het leven gebracht. Inspecteur Konrad Sejer en zijn collega Jacob Skarre staan voor een raadsel: er is geen teken van seksueel misbruik en er zijn nog volop waardevolle spullen aanwezig. De rechercheurs zijn ervan overtuigd dat de moeder van de vermoorde vrouw informatie achterhoudt die van belang kan zijn voor het onderzoek, maar de vrouw weigert opheldering te geven over het verleden van haar dochter. Een persoonlijk motief ligt voor de hand, maar wie voelt zoveel woede jegens een kleine jongen en zijn vriendelijke, zachtaardige moeder?




3) Hemels land – roman – Rachel Vissher – Pepper Books – 224 blz.
‘Joshua is zijn thuisland Afrika ontvlucht. In zijn verbeelding is Europa het gedroomde continent waar hij eindelijk veilig zal zijn. De Nederlandse violiste Céline is een rijzende ster. Haar verbluffende spel hapert wanneer het haar niet lukt grip te krijgen op een engel die in een muziekstuk van Alban Berg de hoofdrol speelt. De Amerikaanse Angela reist na het verlies van haar echtgenoot door Italië. Opgejaagd door herinneringen uit het verleden hoopt ze daar haar verdriet te verwerken. En dan is er nog een mysterieuze Italiaan uit het zuiden van het land, een gangster vol angsten en onvolkomenheden. Hij verbindt de maffiaclans uit Calabrië met die in het noorden, maar twijfelt steeds meer aan zijn missie.’

 

 


4) Dit is vernederend – Hoe één verkeerde tweet je leven kan veranderen – John Ronson – Maven Publishing – 302 blz.
‘Een verkeerde tweet, een onhandige beslissing of een moment van zwakte: het kan tegenwoordig voldoende zijn om online een woedende menigte op de been te brengen. Jon Ronson reisde de wereld over om bekende aanjagers én slachtoffers van public shaming te ontmoeten. Zijn gesprekken illustreren op pijnlijke wijze hoe graag we massaal verontwaardigd zijn en hoe makkelijk levens hierdoor verwoest worden. De slachtoffers zijn lang niet altijd onschuldig, maar de straf is bijna altijd te zwaar. Dit is vernederend is een briljante, humoristische en onnavolgbare verkenning van de terugkeer van een van 's werelds oudste strafmaatregelen: de schandpaal.’



5) De kwestie Pegida – Journalistieke filosofie uit Dresden en Amsterdam – Jurriën Rood – ISVW – 224 blz.
‘Eind 2014 gaat in de Duitse stad Dresden een snel groeiende groep burgers de straat op. Ze noemt zich Pegida, de 'Patriottische Europeanen tegen de Islamisering van het Avondland'. In dagboeknotities beschrijft Jurriën Rood, Amsterdammer in Dresden, de protestbijeenkomsten. Als filosoof analyseert hij het gepolariseerde debat dat in de Duitse, en ook in de Nederlandse, media over de Pegida-beweging losbarst. Worden 'we' inderdaad bedreigd? En waardoor dan eigenlijk? Door immigratie, religie, terrorisme, of wellicht door Pegida zelf? Er moeten in een democratie manieren zijn om te spreken over vermeende bedreiging. Hardop nadenkend onderzoekt Jurriën Rood hoe het debat gevoerd kan worden. Met filosofische inzichten trekt hij de lezer uit de modderpoel van half uitgesproken ideeën en emoties.’

6) Tafel 18 – Buurtwerk in de stad – Rik Vanmolkot (red.) EPO – 208 blz.
‘Kent u Laag-Etterbeek? De wijk aan de voet van de Europese buurt is de microkosmos van bengels en grijsaards, Mohammeds en Maria's, werkmansbroeken en maatpakken. Maar ook de thuishaven van 'de' Chambéry. Al twintig jaar trekt dat wijkhuis aan de kar. Met een dienstencentrum, sociaal restaurant, wijk-, kinder- en jongerenwerking, een renovatieploeg en klusjesdienst. Met een imposante rist aan projecten in de buurt. En vooral: met dertig medewerkers en tachtig vrijwilligers. Welke plaats heeft zo'n privé-initiatief in een wijk en een gemeente? Wat doet Chambéry wel en niet, en waarom? Wat zijn de sterktes en de zwaktes? Zijn er succesrecepten? Waar gaat het project naartoe? Tafel 18 is een verhaal van vallen en opstaan, doorzetten en samenwerken, van moeilijke en vooral ook veel mooie momenten. Een relaas van mensen, enthousiasme en warme solidariteit in een steeds killer wordende wereld. Over geëngageerd wijkwerk in een specifiek Brusselse context maar met een blik over het muurtje, naar andere werkingen, in Brussel, Vlaanderen en daarbuiten.’

7) De wegen van Valentina – roman – Gerrit Brand – Nobelman – 206 blz.
‘Twee echtparen zijn gezamenlijk in twee sportwagens op weg naar Portugal om daar de vakantie door te brengen. Op een gegeven moment vertelt Hugo Cooper, succesvol ontwerper en tassenfabrikant, aan zijn vriend Charles Hendrix dat zijn Chinese vrouw Snow wel wat in hem ziet. Reclamefilmer Charles voelt zich niet alleen gevleid maar ziet dit ook als een kans zijn futloze bestaan nieuw leven in te blazen. Charles' vrouw Valentina denkt hier heel anders over. Als ze na een lange autotocht door Frankrijk en Spanje in Costa da Caparica arriveren, komt de vijfde protagonist in beeld, Luis, de eigenaar van de bungalow met zwembad waar zij hun vakantie zullen doorbrengen. Valentina weet Charles op een gegeven moment triomfantelijk te melden dat Snow plotseling gevallen is voor Luis. Is dit waar, of heeft ze het verzonnen omdat het haar goed uitkomt? Ze draaien om elkaar heen en niemand weet meer precies wat hij aan de ander heeft. Eerlijkheid en openheid zijn ver te zoeken.’

8) Spinoza – Vijf wegen naar de vrijheid – Maarten  van Buuren – Ambo Anthos – 240 blz.
‘Baruch de Spinoza (1632-1677) wordt algemeen beschouwd als de beroemdste en invloedrijkste filosoof die ons land ooit heeft gekend. In zijn bekendste werk, de Ethica, onderzoekt Spinoza op welke manier de mens zijn vrijheid kan verwerven, een voor die tijd revolutionaire boodschap. Spinoza is even ingewikkeld als beroemd. Zijn Ethica geldt als onleesbaar. In Spinoza, filosoof van de vrijheid werpt Maarten van Buuren een verhelderend licht op Spinoza's moeilijk te doorgronden filosofie. Hij toont de vijf pijlers waarop Spinoza's denken berust: streven naar zelfbeschikking, ontplooiing van macht, volgen van de intuïtie, samenwerking met anderen en vooral streven naar vrijheid. In deze oproep schuilt zijn blijvende actualiteit. Van Buuren plaatst Spinoza op toegankelijke wijze tussen filosofen die grote invloed hadden op zijn denken, zoals Descartes, Hobbes en Hugo de Groot. Hij laat zien wat de kern is van Spinoza's ethiek: bevrijding van bevoogding en het streven om in overeenstemming te leven met de wereld en met zichzelf. Alleen dan kan de mens gelukkig worden.’

9) Het boek van mijn levens – roman - Aleksandar Hemon – Karaat – 262 blz.
‘Aleksandar Hemons levens beginnen in Sarajevo, een dan nog klein, lieflijk stadje in de Balkan, waar het leven van een jongetje uit niets anders bestaat dan straatvoetbal, wrok richting zijn zusje en de buitenlandse reizen van zijn vader. Zijn levens als jongeman gaan over het aftasten van limieten, het proeven aan Amerikaanse muziek, slechte poëzie en iets betere journalistiek. Daarna volgen zijn levens in Chicago: van op een afstand, zonder zelf terug te kunnen, moet hij toezien hoe in Sarajevo de oorlog uitbreekt en de stad onder vuur komt te liggen, hoe zijn ouders en zijn zus met hun hond het land uitvluchten en alles achterlaten wat ze gekend hebben. En dan ziet Hemon zich genoodzaakt een heel nieuw leven op te bouwen, in een nieuw land, een nieuwe stad en krijgt hij een nieuw doel voor ogen: fictie schrijven.’



10) Bommen op Jemen – Een ooggetuigenverslag van een weinig begrepen oorlog – Sarah Rijziger – AUP – 204 blz.
‘Jemen, het armste land van het Arabische schiereiland, is door buitenlandse interventie en burgeroorlog veranderd in een slagveld. In maart 2015 viel een coalitie van Arabische landen onder leiding van Saoedi-Arabië Jemen binnen om te voorkomen dat er een anti-Saoedisch Houthi-regime zou worden geïnstalleerd. Sinds Saoedi- Arabië het land met steun van het Westen bestookt met luchtaanvallen en grondoffensieven lijkt de rust in Jemen definitief te zijn verdwenen. Jemen was al jarenlang instabiel als gevolg van politieke onrust, sektarische conflicten en economische malaise, maar de verwoestende luchtaanvallen en de economische blokkade hebben Jemen nu op de rand van de afgrond doen belanden. Sarah Rijziger woont al jarenlang in Jemen en maakt de oorlog dagelijks van nabij mee. Zij beschrijft in dit boek het leven in de hoofdstad Sanaa in oorlogstijd: de beangstigende luchtaanvallen, de water- en brandstoftekorten, het dagelijkse overleven, de verbroedering en vijandschap. Zij vertelt over de duizenden burgerdoden en -gewonden, de complete vernietiging van de infrastructuur en de verwoesting van eeuwenoude monumenten. Zij legt ook uit hoe het zover kon komen dat Saudi-Arabië ertoe overging om zijn zuiderburen aan te vallen.’

11) Wie wind zaait – Wat de westerse politiek in het Midden-Oosten aanricht – Michael Lüders – Walburgpers – 206 blz.
Wie wind zaait rekent af met de westerse politiek, die graag claimt dat ze in het Midden-Oosten ‘waarde-georiënteerd’ optreedt, maar vooral verschroeide aarde achterlaat. Wie de huidige conflicten in het Midden-Oosten, zoals de opmars van ‘Islamitische Staat’, het atoomconflict met Iran of de oorlog in Syrië wil begrijpen moet zich in het verleden verdiepen.
In Wie wind zaait beschrijft Michael Lüders de westerse interventies in het Midden-Oosten sinds de koloniale tijd en legt verbanden met de huidige politieke situatie in de regio. Zijn boek leest als een thriller, maar beschrijft helaas de realiteit. Zakelijke belangen, geo- en machtspolitiek en niet zozeer de invoering van democratieën zijn de ware redenen voor de westerse interventies in het Midden-Oosten. Voor veel moslims is deze dubbelmoraal een affront. Wie weten wil hoe in het Midden-Oosten alles met elkaar verband houdt, leest dit ‘Zwartboek van de westerse politiek in de Oriënt’.’

12) Relaties, hoe doe je dat? – Versterk je relatie met inzichten uit EFT – Karin Wagenaar – Van Duuren Psychologie – 176 blz.
‘Een langdurige liefdevolle relatie is een wens die niet altijd vanzelf in vervulling gaat. Hoe goed je bedoelingen ook zijn, soms bots je met je partner. Of misschien merk je wel dat zich in jouw relaties steeds dezelfde patronen voordoen. Relaties, hoe doe je dat? laat zien hoe relaties zich ontwikkelen en hoe de situatie waarin je bent opgegroeid, daar invloed op heeft. Het boek helpt je om je eigen gedrag en dat van je partner te begrijpen en leert je om negatieve patronen te doorbreken. Je ontdekt hoe je jezelf kunt blijven in een relatie, terwijl je tegelijk open blijft staan voor je partner. Dit boek is gebaseerd op de succesvolle Emotionally Focused Therapy (EFT), een methode die emoties gebruikt als ingang voor verandering. Uit talloze onderzoeken blijkt dat EFT de beste resultaten oplevert van alle typen relatietherapie. EFT is gefundeerd op de nieuwste wetenschappelijke inzichten in de manier waarop volwassenen relaties vormen. Relatietherapeut Karin Wagenaar maakt deze wetenschappelijke inzichten zo toegankelijk, dat je ze zelf kunt gebruiken om je relatie te versterken. Van de eerste vonk die overspringt tot een liefde die blijft bloeien. ‘In een heldere stijl verschaft Karin Wagenaar een kaart voor de liefdesrelatie, van het kiezen voor elkaar tot een lang samenleven.’ - Lieven Migerode, auteur van Ik zie u graag ‘Voor Karin Wagenaar is hechtingsstijl geen vaststaand gegeven, maar een uitgangspunt voor groei en ontwikkeling, een leven lang.’ - Ariëtte van Reekum, psychiater/psychotherapeut, raad van bestuur GGZ Breburg ‘Deze “levenshandleiding” beveel ik iedereen van harte aan. Dit boek kan voor vele partners en opvoeders een belangrijke eyeopener zijn.’ - Jan M. Tromp, arts-psychotherapeut, voormalig bestuurder in de GGZ Karin Wagenaar is psychotherapeut en relatietherapeut. Zij heeft sinds 1991 haar eigen praktijk, waarin zij paren helpt om hun relatie te verbeteren. Zij introduceerde Emotionally Focused Therapy in Nederland en is de oprichter van de Stichting EFT Nederland.’