26-05-2015

RUPSJE NOOITGENOEG

 

Heel terecht prijken op de wikkel om de zilverkleurige harde cover de juichende annonces ‘100’ en ‘100ste druk’, want ook u zal nooit genoeg gekregen hebben van dit prentenboek. Het gaat om de jubileumeditie van Rupsje Nooitgenoeg van Eric Carle en uitgeverij Gottmer. Mijn vrouw en ik weten nog goed te herinneren hoe in de jaren zestig en zeventig onze kids Muel, Time en Briam de rups met graagte volgden op zijn zoektocht naar eten. En aldus doende leerden de drie tellen, de dagen en de lekkernijen van de rups. Nu onze jongste kleinzoon, Guus in Voorburg, twee levensjaren gaat tellen ligt het voor de hand dat zijn vader en moeder hem met Rupsje Nooitgenoeg verder het leven insturen want velen gingen hem voor. Op de titelpagina staat immers; ‘Al miljoenen peuters en kleuters in Nederland en Vlaanderen kennen Rupsje Nooitgenoeg. En steeds nieuwe kinderen leren samen met de hongerige rups tellen, de dagen van de week benoemen, vruchten en lekkere dingen herkennen, om ten slotte te weten te komen hoe een rups een prachtige vlinder wordt.’

Om u bij te praten over dit succesboek vertel ik iets over zijn maker en zijn hoofdpersonage. Eric Carle (1929) is een Amerikaans  kinderboekenschrijver en illustrator. Op zesjarige leeftijd verhuisde Eric Carle met zijn ouders naar Duitsland. Daar ging hij toen hij ouder was naar de Kunstacademie (Akademie der bildenden Künste) in Stuttgart. Toen hij 23 jaar oud was ging hij terug naar Amerika, waar hij een baan vond bij een krant als grafisch ontwerper. Daarna ging hij werken bij een reclamebureau. Op een dag vroeg schrijver Bill Martin jr. of Eric tekeningen wilde maken bij een verhaal van hem (Beertje Bruin, wat zie je daar?). Eric Carle vond het maken van kinderboeken zo leuk dat hij besloot er zijn beroep van te maken. Het werk van Eric Carle is heel herkenbaar. Hij gebruikt een collagetechniek, dat wil zeggen dat hij zijn illustraties maakt met allerlei gekleurde stukjes papier. Zijn boeken gaan vaak over de natuur. Zijn bekendste boek is The Very Hungry Caterpillar (1969), in het Nederlands vertaald als Rupsje Nooitgenoeg.

Rupsje Nooitgenoeg (oorspronkelijke titel zoals gezegd The Very Hungry Caterpillar) is de hoofdpersoon in het gelijknamige prentenboek voor kleuters, geschreven door Eric Carle. Het gaat over een rupsje dat altijd honger heeft. Gedurende het grootste deel van het boek is het rupsje aan het eten, tot het rupsje zich aan het eind van het boek ontpopt tot een prachtige vlinder. Het boek werd voor het eerst gepubliceerd in 1969. Het bleek erg populair en werd geprezen door de eenvoudige woordkeus, die het mogelijk maakt om jonge kinderen te leren lezen. Het verhaal is inmiddels vertaald in meer dan vijftig talen en naar schatting werd anno 2007 iedere 57 seconden een exemplaar van het boek verkocht. De originele, Engelstalige versie van het boek bevat 225 woorden en grote, kleurrijke afbeeldingen. In het verhaal wordt een rups gevolgd, die zich door een bonte verzameling objecten heen eet, zoals ijsjes, salami, watermeloen en een lolly, voordat hij zich uiteindelijk ontpopt tot een vlinder. Het verhaal in zijn totaliteit vertelt over de levenscyclus van een vlinder, leert kinderen tot vijf tellen, behandelt de dagen van de week en verschillende soorten voedsel. In verschillende culturen heeft het verhaal door de tijd heen tevens verschillende "diepere" gedachten meegekregen. Zo werd het bijvoorbeeld in de DDR gebruikt als antikapitalistische propaganda. Oorspronkelijk zou het verhaal de titel ‘A Week with Willi Worm’ (‘Een week met Willie de Worm’) meekrijgen, met een boekenwurm genaamd Willie. De uitgever van Carle adviseerde de schrijver echter om het verhaal een iets andere wending te geven, aangezien een gewone wurm als hoofdpersoon de lezer waarschijnlijk niet sterk zou aanspreken. Er gaan geruchten dat de filmrechten van het boek verkocht zijn voor 1 miljoen pond. In 2006 werd het boek voor blinden en slechtzienden omgezet in brailleschrift. Dit gebeurde in samenwerking met Lemniscaat, de Indiase uitgeverij Karadi Tales en Stichting Goede Doelen Support. Van de opbrengst van de verkoop van deze brailleversie in Nederland worden blinden en slechtzienden in India geholpen.

Rupsje Nooitgenoeg is een schat van een boek dat onze kinderen in vervoering brengt door de prachtige, in kleur gedoopte illustraties, door het aansprekende verhaal, door de lichtheid van toon en door het spelenderwijs leren tellen en benoemen. De kids beleven een avontuur van begin tot eind, van ‘’s Nachts lag er, in het maanlicht een eitje op het blad’ tot ‘Toen knabbelde hij een gat in de cocon, krabbelde naar buiten en was een wonderschone vlinder!’ Rupsje Nooitgenoeg: niet alleen een bestseller maar ook een everseller!
 

VERLIES NIET DE MOED

 

Een kranig kleinood heb ik voor u dat in woord en beeld de weeën en naweeën van de vermaledijde Holocaust aan den lijve doet voelen. Kranig zeg ik omdat de auteur de moed had die rampspoed bij een overlevende, haar immer leedverzwijgende vader, op te roepen. Het gaat om het 96 bladzijden tellende, van een fotokatern en dvd voorziene Verlies niet de moed van Hella de Jonge en van uitgeverij De Bezige Bij. Met het motto van Hella en Freek ‘Laat vreugde winnen van verdriet’ en met de opdracht ‘Voor alle kleinkinderen’. Op de wikkel om de harde cover staat een foto die figureert in zeg maar het archief van de familie waarin Hella de Jonge (1949) de roots heeft, die van Miller, Croiset en Asser. Haar vader is de in 1922 geboren Eli Asser die met zijn in 2002 overleden echtgenote Eva Asser-Croiset de door de nazi’s georganiseerde en gerealiseerde verdelging van onze Joden wist te overleven. De familiestamboom voorin het relaas van de confrontatie tussen vader en dochter vermeldt dat  veel van Hella’s voorouders de dood ingejaagd werden in Bergen-Belsen, Westerbork, Mauthausen, Auschwitz.

De titel Verlies niet de moed is twee maal op de omslag weergegeven en die in handschrift wordt op blz. 36 verklaard met ‘Niet meer weten. Vergeten. Dat maakte het zo ingewikkeld om tot hem door te dringen. Wanneer was iets werkelijk waar en wanneer fantaseerde hij? Alles om aan de onverdraaglijke waarheid te ontsnappen? Tijdens de verhuizing werd hij door nachtmerries bezocht. Dat was de reden geweest waarom hij tante Ro’s verhuisdoos had willen weggooien. Hij had mij in wanhoop gebeld om de ‘spullen’ op te halen. Dat was hij kennelijk vergeten. Er restten nog zoveel vragen. Had hij ooit samen met mijn moeder in die doos gekeken? Had zij toen het afscheidsbriefje van haar moeder Lientje gezien met de laatste woorden: Verlies niet de moed? … Toen de dozen, die ik vier jaar geleden voor weggooien had behoed, bij ons in de gang gestald waren, durfde ik er in eerste instantie niet in te kijken. De oorlog zat erin, daar was ik bang voor. Het was F. geweest die ontdekte dat er veel handgeschreven brieven van mijn overgrootvader uit Westerbork en Bergen-Belsen tussen zaten. Hij liet me ze zien en lezen. Het verleden werd aanraakbaar.’

Voor een goed begrip van dit citaat, de ik is Hella, de hij is vader Eli Asser en F. staat voor Hella’s echtgenoot Freek de Jonge. Na decennia van moeizaam naast elkaar voortleven durft Hella het aan het vreselijke verleden bespreekbaar te maken. Vader Eli wist door onderduik aan de macabere dans met de Duitsers te ontkomen en het praten over de smarten van de Shoah was te pijnlijk. De liefde van hem en zijn vrouw Eva voor zelfs zijn kinderen was kapotgemaakt. In plaats van praten was er het stil zijn. De authentieke kieken in de katern zijn aangrijpend. Zo die van Lientje Croiset-Miller, de oma van Hella. Zij schreef de afscheidsgroet op het velletje papier vlak voordat zij naar Auschwitz werd afgevoerd. Het blikken naar die foto doet mij denken aan de leeservaringen die ik destijds met mijn leerlingen havo/atheneum opdeed, die bij het klassikaal tot ons nemen van de kleine kroniek Het bittere kruid van Marga Minco. In hoofdstuk 5 ‘De foto’s’ lazen wij dat Marga’s familie het voorbeeld van mevrouw Zwagers om foto’s te maken volgde: wij hebben in ieder geval nog de foto’s van elkaar. Het motto voorin Het bittere kruid ontleende Marga Minco aan haar echtgenoot Bert Voeten en gaat als: ‘Er rijdt door mijn hoofd een trein vol Joden, ik leg het verleden als een wissel om…’ Minco koos voor deze woorden om aan te geven dat zij haar reportage over de oorlog heeft geschreven om verder te kunnen leven. Zij heeft als het ware de ellende van zich afgeschreven. Hoewel ze nooit alles zou kunnen vergeten, is het mogelijk om verder te gaan met leven. Nota bene, Eli Asser, nu tweeënnegentig, is al jaar en dag bezig met het schrijven van een boek. Bij ons – want ieder van ons behoort de zoektocht van een dochter naar haar vader in dit zo schrijnend, indringend, oprecht en ronduit verwoord op de leestafel te hebben -  Verlies niet de moed zit ook een dvd die de documentaire over het door Hella opgerakelde verleden van Eli bevat. Ik wil met u daar een volgende keer een tocht door maken. Ik geef als intro tot die gang het woord aan verslaggever Jeroen Wielaert die de première van de film beleefde. Maar eerst zeg ik u waarom Hella Hella heet en waarom haar dat pas decennia later verteld is. Vader Eli zweeg… ‘Een heldin,,’ had mijn vader gezegd over zijn vroegere schoolvriendinnetje Hella Simonis. Ze had vijftig kinderen onder haar hoede genomen in het weeshuis tegenover de Hollandsche Schouwburg, en toen de kinderen weggehaald werden is ze vrijwillig meegaan, een zekere dood tegemoet.’ Als Hella op zoek is naar het eertijds van haar ouders Eli en Eva ontdekte zij dat haar ouders stonden in een boekje van het Barlaeus Gymnasium. En pas toen kwam Hella erachter naar wie zij vernoemd is.

Nu Jeroen Wielaert: ‘Heel Nederland kon het meezingen: Het zal je kind maar wezen, de hit uit de serie 't Schaep met de 5 Poten. Het was één van de grootste successen van tekstschrijver Eli Asser (1922). Zijn dochter Hella was er helemaal niet zo blij mee. Het kwetste haar diep. Ze werd gekweld door oorlogstrauma’s. In de documentaire Verlies niet de moed heeft ze die allemaal verwerkt. Gisteren ging hij in première in Tuschinski. Onder de genodigden bevonden zich premier Rutte, minister Plasterk, Herman van Veen, Boudewijn de Groot en Paul van Vliet.
Het maken van de film was een persoonlijke urgentie voor Hella de Jonge (1949). Een waarheid die verteld moest worden, in wat een zoektocht werd naar het verborgen familieverhaal van de Tweede Wereldoorlog. Het is aangrijpend en herkenbaar. Vooral voor hen die ook tientallen jaren het liefst zwegen over de oorlog. Gebrek aan warmte - Eli en zijn vrouw Eva Asser overleefden de bezetting en gingen daarna gebukt onder zware schuldgevoelens jegens de familieleden en de bekenden die waren vermoord in verre concentratiekampen. Ze vonden het een plicht om voor nageslacht te zorgen, maar konden die geen liefde geven. Geen kind kon de doden vervangen. Voor de jonge Hella voelde het aan als een gebrek aan warmte. Het maakte haar dwars, als puber en jonge vrouw. Dat komt ook tot uiting in het begin van de documentaire. Ze is inmiddels veel ouder, maar nog steeds tegendraads, bozig. Nederland kent Eli Asser vooral van de vrolijke kant. ‘Het was mijn antwoord aan meneer Hitler’, zegt hij in de film.

Asser brak al in 1953 door als tekstschrijver. Met ‘'t Schaep met de 5 Poten’, de serie die in 1969 op de vaderlandse televisie begon, nam zijn populariteit sterk toe. In die tijd had Hella al verkering met een jongen die aanvankelijk niet zo in de smaak viel bij haar ouders: een predikantenzoon, de aanstormende cabaretier Freek de Jonge. Verlies niet de moed doet op het IDFA mee aan de competitie voor Nederlandse film en voor de publieksfilm. Verlies niet de moed, waren de laatste woorden van de moeder van Eli Asser, voor haar deportatie naar Auschwitz. In de documentaire volgt Hella de Jonge het spoor terug, één van de belangrijke verhaallijnen van de documentaire. Op de Blauwbrug over de Amstel vertelt de inmiddels hoogbejaarde Asser hoe hij als jonge man van rond de 20 terugkeerde van een bezoek aan zijn Eefje. Nog wat dromerig komt hij aanlopen en wordt staande gehouden door een politieagent die onderdeel uitmaakt van een cordon SS'ers dat de brug heeft afgesloten. In de Jodenbuurt is de eerste grote razzia gaande. De agent maant de jonge man om te keren. Het is het begin van de onderduikjaren. Met Eef komt Eli terecht in de Joodse psychiatrische inrichting het Apeldoornsche Bos. Ze denken daar de oorlog te kunnen overleven als verplegers, tot het bericht komt van een aanstaande Duitse deportatie. Ze bespreken drie keuzes: mee op transport met de patiënten, zelfmoord plegen, of vluchten. Ze kiezen voor het laatste, in januari 1943. Zeventig jaar later komt Hella met haar vader terug bij de sloot waar ze overheen moesten, voordat ze uit Apeldoorn terugliepen naar Amsterdam, vanwaar ze weer uitweken naar nieuwe onderduikadressen.

Ontroerd - Een ander belangrijk onderdeel is de doos die Asser altijd bewaard heeft. Hij komt tevoorschijn als hij naar een benedenwoning moet verhuizen. Aan zijn dochter vraagt hij om ‘de rommel’ te komen ophalen. Het blijkt het erfgoed te zijn van haar lievelingstante Ro, de vrouw die haar de aandacht schonk die ze nooit van haar moeder kreeg. Er komen foto’s tevoorschijn van overgrootvaders die ook al optraden als komedianten. En documenten uit de oorlog die veel duidelijk maken. Eli Asser kan er nu niet meer over zwijgen tegen Hella. Dan wordt het aangrijpend, emotioneel. Dan bloeit voor het eerst na al die jaren de liefde op tussen vader en dochter. Ook de premier was ontroerd.’
 

ZOLANG ER NOG TRANEN ZIJN

 

Een schrijnend verslag van een door de gruwelen van de nazi’s getekend leven heb ik voor u, dat ondanks alle ellendige herinneringen getuigt van zin in het leven. Het gaat om het 174 bladzijden tellende, van authentieke familiefoto’s voorziene Zolang er nog tranen zijn van Hannelore Grünberg-Klein en van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar. Het nawoord is van Arnon Grunberg waarin die als veelschrijvende, alom geprezen zoon verhaalt over de wording en de postume publicatie van dit oprechte, helaas uit het leven gegrepen, verbijsterende egodocument. Op de wikkel van de harde cover van Zolang er nog tranen zijn prijkt een kiek van een jong meisje dat vol verwachting naar de fotograaf en naar het leven blikt; Hannelore Klein. Het eerste hoofdstuk van haar memoires draagt de titel van de plaats waar zij haar eerste levensjaren met haar ouders Leopold en Luise doorbrengt: Berlijn. Aan de gelukkige jaren van het in 1929 geboren Jodinnetje komt in 1938 abrupt een eind. Met de Kristallnacht, de brandende synagogen en kapotgeslagen winkels en warenhuizen van Joden in geheel Duitsland kwam een einde aan de kindertijd van Hannelore. Het tweede chapiter ‘De St. Louis’ verhaalt over het drama van het gesjacher, het gesol, het verraad, het bedrog waarvan de meer dan negenhonderd Joodse Duitse burgers die ondanks een visum voor Cuba de dupe werden. Mei 1939 vertrekt het stoomschip St. Louis uit de haven van Hamburg met de familie Klein naar het niet door antisemitisme geteisterde land in het Caribisch Gebied om daar ruimte voor een zijn te vinden. Maar door de lafhartige, corrupte president op Cuba, die onder druk van de nazi’s staat mogen de schepelingen niet aan wal. Na een maand van toezeggingen, woordbreuken, dolen en hopen keert de St. Louis naar Europa terug, waar half juni de Joodse afgewezenen een opvang te wachten staat in België, Frankrijk, Engeland en Nederland. Vandaar dat het derde stuk de naam draagt van ‘Heijplaat en het Lloyd Hotel’ want de door de Holocaust getroffen Europeanen worden eerst in Rotterdam en vervolgens in Amsterdam op die locaties geïnterneerd. De vijf volgende hoofdstukken dragen de onheilspellende namen van Kamp Westerbork, Theresienstadt, Auschwitz-Birkenau, Freiberg en Mauthausen. Wat zich in die rampplaatsen zich voordoet doet Hannelore ons weten. Door haar opgewekte aard, haar zin in het leven, haar jonkheid en haar goed gesternte, haar zucht naar geluk weet zij de rampspoed, de Shoah te doorstaan en te overleven. Zij doet dat op een heel bijzondere wijze: bij haar geen klaagbetoon en jammerklacht, zij verhaalt op informatieve wijze van het ongeluk en geluk in de kampen. Een volgende keer zullen wij als eerbetoon aan de in 2015 overleden moeder Grünberg dit traceren.

Het is opmerkelijk dat het strategische verloop van de Tweede Wereldoorlog nu wel volgens velen van ons wel beschreven is. Momenteel is er veel aandacht en ruimte voor de persoonlijk getinte berichten van de weeën en naweeën van de jaren 40-45. Zo mocht ik in het recent voorbije aan u voorleggen Verlies niet de moed van Hella de Jonge, De redding van de familie Van Cleeff van Auke Kok en Dido Michielsen , De oorlog van mijn moeder van Yael Vinckx en Een gegeven leven van Hanneloes Pen. En steeds brachten wij een stil saluut aan de foto’s daarin. Ook de authentieke platen in het katern van Zolang er nog tranen zijn zijn aangrijpend. Zo die Luise en Leopold Klein op vakantie in Tsjecho-Slowakije 1937.  Het blikken naar die kleine foto doet mij denken aan de leeservaringen die ik destijds met mijn leerlingen havo/atheneum opdeed, die bij het klassikaal tot ons nemen van de kleine kroniek Het bittere kruid van Marga Minco. In hoofdstuk 5 ‘De foto’s’ lazen wij dat Marga’s familie het voorbeeld van mevrouw Zwagers om foto’s te maken volgde: wij hebben in ieder geval nog de foto’s van elkaar. Heel navrant eigenlijk is dat Hannelore Grünberg-Klein dit document omstreeks 1990 al geschreven heef. De veronderstelde uitgever Loeb zag er echter geen brood in en stuurde het manuscript terug. Wij mogen ons als lezers nu dankbaar prijzen dat haar Zolang er nog tranen zijn er wel is want op informatieve wijze, vaak heel sec, in rake woorden en zinnen doet zij haar verhaal. Dat zoonlief Arnon als succesvol auteur daarin gevraagd en ongevraagd een rol gespeeld heeft, is vers twee. Dat moeder Hannelore en zoon Arnon sowieso met elkaar gemeen hebben dat zij de kennis en de kunde hebben een goed boek te schrijven wil ik aantonen met een citaat uit Zolang er nog tranen zijn. Ik geef u de frase door van een hopeloos drama in het vernietigingskamp Auschwitz. Wij schrijven het moment – zie bladzijden 114 en 115 - waarop moeder en dochter Klein gedoemd zijn elkaar te verlaten. En toch: zolang er nog tranen zijn. De lust tot leven is sterker dan de drang van de dood. Hannelore: 

‘In een lange rij liepen wij als een kudde uitgeputte schapen onder bewaking van bewapende SS door de ingang van een elektrisch geladen prikkeldraadomheining. Boven de ingang stond het opschrift ‘Arbeit macht frei’. Wat een ironie; zodra wij enigszins beseften dat wij ten dode opgeschreven gevangenen waren, vochten wij vertwijfeld maar vastberaden om ons leven. Maar op het moment dat wij in deze troosteloze, onheilspellende barakkenwoestenij, waar geen boom of struik of enig groen te bekennen was, stapten, wisten wij nog nergens van. Uit heel hoge schoorstenen walmden dreigende, donkere rookwolken, die de hemel verduisterden en ons een bedrukkend voorgevoel gaven. We kwamen bij een sluis van SS-officieren die ons voor leven en dood selecteerden, maar we wisten het gelukkig niet. Wij waren een van de allerlaatste transporten die in Auschwitz aankwamen. Er werd nu niet naar leeftijd geselecteerd, maar willekeurig naar aantal, links de ter dood veroordeelden en rechts degenen die in fabrieken te werk zouden worden gesteld. Toen mama links ingedeeld werd en ik achter haar aan wilde lopen, wees de SS-officier mij naar rechts. Ik durfde te vragen: ‘Da geht meine Mutter, darf ich da auch mitgehen?’ Hij antwoordde: ‘Wie alt bist du?’ Ik weifelde één seconde en zei toen: ‘Ich bin ziebzehn Jahre alt’. Dat was mijn werkelijke leeftijd. ‘Dann geht dorthin,’ en hij wees naar rechts, ‘und deine Mutter siehst du auch bald wieder.’ Mama had dit gesprek niet kunnen volgen, ze was als in een droom doorgelopen en had zich niet meer omgedraaid.Willoos als een slaapwandelaarster liep zij met de anderen mee. Niet één keer draaide mama zich om en ik keek haar na en wist niet dat ik haar voor de laatste keer had gezien. Mama was eenenveertig jaar oud toen zij vergast werd.’

Wij mogen dit bericht van het leed de Joden aangedaan niet ongelezen en ongezien laten! Zolang er nog tranen zijn van Hannelore Grünberg-Klein is immers een bericht uit een hels leven dat ondanks dat tintelt van leven!

HET VERRAAD VAN BENSCHOP

 

Een bevlogen en beladen, in prachtig proza vervatte reconstructie van een oorlogsdrama heb ik voor u, die nog net op tijd aan de vergetelheid ontrukt is. Nu de laatst levende getuigen van een drama uit de Tweede Wereldoorlog hun verhaal aan iemand van buiten  kwijt willen. Het gaat om het 268 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde Het verraad van Benschop van journalist en historicus Bram de Graaf en van uitgeverij Ambo Anthos. Met de ondertitel ‘Verzet en vergelding in een boerendorp, februari 1945’. Bij de naam Benschop dacht ik tot voor kort aan de memoires van mijn vader zaliger waarin hij verhaalt over zijn hongertochten, eind 1944 begin 1945, die hem per fiets op anti-plof-banden o.a. naar Benschop, het dorp in het zuidwesten van de provincie Utrecht brachten. Het gunstige resultaat was een zinken bad vol sterappels. Als ik mijn twee kisten appels maandelijks haal bij fruithandel Van Os aan de Matenase Scheidkade moet ik immer aan de vruchten van vader denken. Toen ik voorbije vrijdag wederom in de loods van Johan van Os voor de porties appels kwam, had ik het met hem over het verraad van zeventig jaar terug. De man is immers afkomstig uit Benschop en ik had via het tv-programma ‘Andere tijden’ van voorbije 7 april vernomen over het verraad dat in diens geboortedorp aan het eind van de oorlog zich voorgedaan had. Mij werd uit het korte gesprek duidelijk dat vele dorpelingen van toen en nu bij voorkeur het zwijgen over die wandaad er toe deden. Een paar maanden terug fietsten mijn echtgenote en ik naar Vleuten om onze zoon en diens kids te ontmoeten. Wij namen vanuit Papendrecht de pont bij Schoonhoven en koersten vervolgens richting Benschop. Aan de Benedeneind Zuidzijde passeerden wij het oorlogsmonument ‘Drama van Benschop’. Wij hoorden van een dorpsbewoner dat op 17 februari 1945 op het erf van de boerderij van P. Klever zeven verzetsstrijders door de Duitsers gefusilleerd waren. Met eerbied en respect lazen wij de namen.

JAN AART VAN IEPEREN - THEOD. ADR. KLEVER - HENDRIK SATTLER - JASPER VAN IEPEREN - JOH. GER. V. D. ENDE - ADR. CORN. KLEVER - ADR. PETR. VAN VLIET - ADR. ANTH. KLEVER. Met daaronder de tekst: ‘GIJ MET U ALLEN, STOERE FIERE HELDEN. VEREEND GEVALLEN. GIJ RUSTTET ZELDEN. GIJ STONDT STEEDS KLAAR IN DEN NOOD. BESEFTET HET GEVAAR, DOCH VREESDET GEEN DOOD GIJ OFFERDETUW LEVEN, EEN VAN ZIN VOOR GOD, VOOR VOLK, VOOR KONINGIN.’

Een van de boeken die ik met graagte tot mij nam in mijn scholierentijd was de zogenoemde streekroman van Herman de Man (1898-1946) Het wassende water. Tijdens het eerste decennium van de vorige eeuw woonde de Joodse auteur met het pseudoniem in Benschop. Zijn vader was immers de koopman Herman Salomon Hamburger en zijn moeder Sara Cohen Schavrien. Het Herman de Manhuis in Benschop blijft aan hem herinneren. Mijn vader was overigens een fan van De Man, zo liet hij mij na Kapitein Aart Luteyn en Aart Luteyn de andere. U begrijpt mijn vreugde als lezer toen ik door de man van de post Het verraad van Benschop van Bram de Graaf aangereikt kreeg, die ik eerder in Andere tijden zijn verhaal zag doen. Naarstig zocht ik meteen naar ‘het verraad’ uit de titel en die vond ik in hoofdstuk 13 bij een verslag over de rechtbank in Utrecht van 4 juli 1946. Ik citeer: ‘De opdrachtgever, Henri Moot, was volgens het rapport de intellectuele dader van de affaire geweest’ en ‘Ook de groepsfoto van het verzet en de onderduikers in Benschop kwam ter sprake. Moot bekende die te hebben afgestaan aan de Duitsers’. In het fotokatern kunnen wij de in de ogen van de omgebrachte verzetsmensen blikken, maar ook in die van hun verraders die in een regionale krant van februari 1946 prominent zijn afgebeeld: K. Moot, D, de Wit en R. Boon. Hoe deze drie tot hun verraad kwamen gaan wij een volgende keer met elkaar hier traceren. Maar nu al wil ik aan u kwijt dat de gewraakte groepsfoto ook in het katern staat: op 20 september 1944 maakten onderduikers en verzetsmensen de plaat omdat zij dachten dat de bevrijding aanstaande was. De SD kreeg hem echter in handen!

Ik citeer Wikipedia: ‘Gedurende de Tweede Wereldoorlog zaten er op het ‘hoogtepunt’ ongeveer honderd onderduikers in het dorp. In de loop van de oorlog vond een geschat aantal van 250 onderduikers een schuilplaats in Benschop. Kort na Dolle Dinsdag ging een grote groep verzetsstrijders met onderduikers op de foto. Op dat moment verwachtte iedereen dat de bevrijding binnen een paar dagen plaats zou vinden. De Duitsers handhaafden zich echter en de bezetting duurde voort. Een plaatsgenoot had in de hoop voor een baantje bij de politie de NSB-burgemeester van IJsselstein Henri Moot getipt over het grote aantal onderduikers in Benschop. Op zijn beurt had de burgemeester de Duitsers weer ingeschakeld. Toen de oorlog in februari 1945 bijna voorbij was deden de Duitsers een inval in het dorp. Op twee plaatsen breken vuurgevechten uit, waarbij twee verzetsmensen en drie Duitsers het leven verloren. De Duitse reactie was heftig. Vier dagen later, op 17 februari 1945, kwamen ze terug. Een groot aantal mannen wordt weggevoerd; de Duitsers fusilleren zeven van de gearresteerde mannen. Een aantal van de mannen kon aan de hand van de eerder gemaakte foto geïdentificeerd worden.’ De grote verdienste van de zoektocht in het verleden door Bram de Graaf is dat hij een gewelddadig item uit de oorlog opgerakeld heeft. Hij kon dit o.a. doen door met meer dan vijftig naaste familieleden van de slachtoffers en ooggetuigen te vinden die bereid waren hun verhaal te doen.

Om u een idee te geven van het inlevend proza van De Graaf geef ik u deels het door hem gezegde aan op de bladzijden 194 en 195. Wij schrijven zaterdag 17 februari,14.30 uur; Benedeneind, Benschop. De  veertienjarige Adriaan Benschop doet zeventig jaar na dato zijn relaas. Hij fietste ter hoogte van Benedeneind 361 over de smalle kant en was tijdens de razzia op bezoek geweest bij zijn doodzieke moeder in een Utrechts ziekenhuis. Hij kan niet vergeten het moment dat hij anderen voor zijn ogen ziet sterven. ‘Er kwam een bus aan. Voor hun neus stopte hij. Het portier ging open en een Duitse officier stapte uit. ‘Een oudere man.’ ‘Los, los’ schreeuwde de officier. Jan Aart en Jasper kwamen daarna als eersten uit de bus. Adriaan verstijfde. Zijn overburen! Hij kende ze erg goed. ‘Zulke fijne jongens’. Er was een blik van herkenning. Arie Klever stapte uit, Jan Zwol, A.C. Klever, Jan de Boer, Adriaan van Vliet. ‘Allemaal het hoofd in de schouders. Aan hun ogen zag je dat ze dondersgoed doorhadden wat er ging gebeuren.’ Tussen een paar soldaten in – niet meer dan vijf, volgens Adriaan – werden de het erf op geleid. Links lag de boerderij. Aan de rechterkant stond een boenhok en daarachter lag een berg met hooi langs het water van de sloot. ‘Ze liepen een meter of tien. Toen moesten ze zich omdraaien van de officier, die links bij de boerderij stond. Een jonge soldaat stond een paar meter voor hen en hield een machinepistool op hen gericht – het kan een stengun zijn geweest. Ze keken recht in de loop. De officier zei niets, maar maakte alleen een beweging met zijn onderarm, waarbij hij met zijn wijsvinger naar de jongens wees. De jonge soldaat twijfelde even. Hij had er helemaal geen zin, leek het wel. Toen haalde hij de trekker over…’ … Het duurde maar een paar seconden. Adriaan had toen hij de jongens zag vallen meteen zijn hoofd weggedraaid. ‘Toen het over was, mocht ik meteen weer verder.’ Verdoofd van schrik fietste hij in snel tempo de twee kilometer naar zijn huis, de blik op oneindig.‘Ik kan me niet herinneren of ik iemand  ben tegengekomen. Thuis heb ik gehuild en gehuild. Er was niemand om me aan te horen. Ik heb er daarna nooit meer over gesproken. Mijn moeder overleed dat jaar op 6 juni, mijn vader in augustus – dat is ook iets waar ik nooit over praat. Dit is voor de eerste keer dat ik het over 17 februari 1945 heb. Ik ben zelfs nooit meer over de brede kant gegaan als ik langs de boerderij van Klever kwam, maar altijd over de smalle kant. Ik heb nooit naar films of documentaires over de oorlog kunnen kijken en heb nog steeds een hekel aan Bevrijdingsdag.

Het verraad van Benschop: wij mogen het niet ongelezen en ongezien laten!

GROETEN UIT TJIDENG

 

Een levendig, indringend, toegankelijk, informatief, onthullend bericht uit een Javaans vrouwenkamp in de jaren ‘42-’45 heb ik voor u dat verwoord hoe ook in het Verre Oosten de oorlog woedde. Het gaat om het 318 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde Groeten uit Tjideng van Dicky Douw-Vos en van uitgeverij Free Musketeers met de ondertitel ‘met ons gaat het goed’. Ik haast mij te zeggen dat de titel en subtitel u welhaast op het verkeerde been zetten of u moet die een wrange lading geven. In de voorbije meiweken legde ik aan u voor oorlogsverhalen als Het verraad van Benschop van Bram de Graaf, Zolang er nog tranen zijn van Hannelore Grünberg-Klein, Verlies niet de moed van Hella de Jonge, De redding van de familie Van Cleeff van Auke Kok en Dido Michielsen, De oorlog van mijn moeder van Yael Vinckx en Een gegeven leven van Hanneloes Pen. Een van de verschillen tussen deze boeken was dat alleen het oorlogsrelaas van Vinckx zich niet alleen voordoet in Nederland maar ook in Nederlands-Indië. Groeten uit Tjideng speelt zich geheel af in de Oost en is gebaseerd op dagjournalen en memoires van Dicky Douw-Vos (1913-2004). Deze persoonlijke ontboezemingen vormden de basis voor het door haar dochter geredigeerde boek, dat wij met elkaar de komende weken hier tot ons gaan nemen. Als bagage voor onze tocht reik ik u de tekst van de omslag aan en het Voorwoord van Marijke Wels-Douw. Deze Marijke komt voorin het boek ook voor want wij lezen ‘Voor Robby en Marijke’.

De uitgever: ‘Na de Japanse aanval op Singapore evacueert Dicky Douw naar Batavia, waar het veilig zou zijn. Maar nee hoor. Ze wordt geïnterneerd in het Tjideng kamp in Batavia, met twee kleine kinderen. Al vanaf Singapore maakt ze aantekeningen en houdt dagboeken bij. Haar verhaal, deels in dagboekvorm, is met veel gevoel voor humor opgeschreven, maar ergernis en wanhoop nemen al snel de overhand. Hoe het was om met tienduizend vrouwen op een kluitje te wonen... Met zich misdragende én zich goedgedragende Japanners, Nederlanders en Indonesiërs. Ook de tijd na de bevrijding, op 24 augustus 1945, en de repatriatie via Australië komen aan bod.’

Marijke Wels-Douw: ‘Als kinderen van zo ongeveer zeven en negen jaar vroegen we vaak: ‘Mam, vertel nog eens van het Jappenkamp...’ Robby wist er nog wel het een en ander van, maar ik niet meer. Dan kwamen er grappige verhaaltjes over ‘Robby en de eieren’ of over het ‘koempoelen en buigen’. Dat laatste deed ze dan op elegante manier voor. Later vertelde ze terloops wel eens een detail, bijvoorbeeld dat we op het laatst een eierdopje rijst per dag kregen. Dat vonden we wel raar en we begrepen er niet veel van. Maar hoe erg het allemaal was geweest, daarmee wilde Mam ons niet opzadelen, en ze wilde het zelf ook allemaal maar liefst vergeten. Ze kon haar verhaal toch niet kwijt. Niemand luisterde naar het verhaal van de repatrianten uit Indië – de Nederlanders zaten met hun eigen trauma’s. ‘Jullie hadden het in elk geval niet koud,’ zeiden ze. Tot ze toch tegen haar zevenenzestigste met haar uitgetypte dagboeken kwam aanzetten. Ze was niet van plan het te publiceren, ‘in ieder geval niet ikzelf,’ zei ze. Maar hier is het dan toch.

Dit zeer gedetailleerde verslag van het Japanse vrouweninterneringskamp ‘Tjideng’ in Batavia (nu Jakarta) tijdens de Tweede Wereldoorlog beslaat de aanloop naar de internering, het kamp zelf, en de tijd erna tot en met de repatriëring naar Nederland. Het verslag is aanvankelijk quasi grappig. Zoals ze zelf schreef: ‘we zagen de ernst van de situatie absoluut niet in’. Het gaat al snel over in irritatie, verontwaardiging en tenslotte wanhoop, maar de humor is nooit ver weg. Het was voor haar vooral een manier om de situatie het hoofd te bieden, om ‘de dingen van zich af te schrijven’. Het is gebaseerd op dagboeken (voor het grootste deel bewaard gebleven), losse aantekeningen en herinneringen. De schrijfster heeft zelf alles uitgetypt en bewerkt en moderniseerde het taalgebruik. Ze maakte het geheel leesbaarder door doublures, overdreven pathetiek en het teveel aan geruchten weg te laten. Dit heb ik zelf nog wat verder doorgevoerd.

De indeling in hoofdstukken en de ‘kopjes’ zijn later door mij toegevoegd, voor de overzichtelijkheid. Een enkele maal heb ik opmerkingen uit de originele dagboeken weer toegevoegd. Alles is in haar eigen woorden opgeschreven. Deel I is een verslag van de gebeurtenissen van 7 december 1941 tot 12 september 1942. De schrijfster heeft zelf haar dagboeken omgewerkt tot verslag en vele herinneringen toegevoegd. Deel II, van 12 september 1942 tot 30 oktober 1945, is in de oorspronkelijke dagboekvorm. Ook hier voegde ze vele herinneringen toe. Vanaf 25 mei 1944 zijn de originele dagboeken, vaak op losse velletjes luchtpostpapier, verloren gegaan of vernietigd nadat ze deze had uitgetypt. Ze moeten er zijn geweest, gezien de gedetailleerde beschrijving van dag tot dag. Alleen van 1 april 1945 tot 12 juni 1945 is een piepklein dagboekje bewaard gebleven, ter grootte van een notitieboekje. Deel III, van 1 november 1945 tot februari 1947, is weer een verslag aan de hand van herinneringen en aantekeningen. Het is natuurlijk wel háár verhaal, ze was een kind van haar tijd. Ze deelde de opvattingen van de meeste Nederlanders. Ze dacht eerst dat het idee van een interneringskamp van de ‘intellectuele Indonesiërs’ afkomstig was. Later dacht ze dat de Jappen de ‘Inlanders’ het vuile werk lieten doen, ‘zodat we de Jappen dankbaar zouden zijn voor de bescherming’. Het woordgebruik in die tijd was wel anders dan nu. De term ‘Indonesiër’ werd nog niet veel gebruikt, dat kwam pas bij het uitroepen van de Republik Indonesia. Het land heette Nederlands-Indië, kortweg Indië en de plaatselijke bevolking werd meestal aangeduid als ‘Inlanders’, wat ons nu misschien denigrerend in de oren klinkt, maar wat toen heel gewoon was. Waar de schrijfster ‘Inlander’ heeft gebruikt is dit blijven staan, maar hier en daar gebruikte ze zelf het woord ‘Indonesiër’. De aanduiding ‘Indische mensen’ werd vooral gebruikt voor mensen van gemengd bloed (later, na de oorlog, aangeduid als Indo’s). Nederlanders heetten toen gewoonlijk Hollanders. Voor de Indonesiërs heetten ze Belanda’s. De Verenigde Staten heetten, net als nu, gewoon Amerika. Japanners waren Jappen of Nipponners. Van de gebruikte Maleise en enkele andere woorden is achterin een verklarende woordenlijst opgenomen. Maleis was de ‘lingua franca’ in de regio. Het Maleis van de Nederlanders was vaak ‘pasar’ (markt) Maleis, voldoende om boodschappen mee te kunnen doen en met de bedienden te praten. Het geld was in guldens, en de vermelde bedragen kunnen zeker 10 keer of meer vermenigvuldigd worden voor onze tijd.

De schrijfster, Goverdina ‘Dina’ Cornelia Vos (1913-2004), werd geboren in Den Haag. Haar vader was postbode, hoofdbesteller bij de PTT, en haar moeder zorgde voor de drie kinderen, Dina, Jan en Jet. Dina maakte prachtige tekeningen en schreef verhaaltjes en gedichtjes. Na de Mulo zat ze een poosje op de kunstacademie, maar werkte daarna op een kantoor en zat op de handelsavondschool. Ze was een charmante verschijning. Haar gevoel voor humor gaf een gepeperd randje aan haar bescheiden karakter. Haar voornaam veranderde ze in Dick(y). Na een verbroken verloving trouwde ze in 1939 met Izak Douw, scheepswerktuigkundige bij de KPM (Koninklijke Pakketvaart Maatschappij) in Nederlands Indië. Hun standplaats werd Singapore, hoewel ze op Batavia gehoopt had. In maart 1940 werd hun zoon Robert William geboren, ‘Robby’. Ze reisde drie keer naar Batavia, op het schip waar Izak werkte, op bezoek bij broer Jan, die daar in opleiding tot accountant was, en familieleden van Izak. Op 7 december 1941 (volgens andere bronnen 8 december) werd de haven van Singapore gebombardeerd, vrijwel tegelijkertijd met de Japanse aanval op Pearl Harbour, waar de inwoners van Singapore pas later van hoorden. Op dit moment begint het verslag.’ Het zal u inmiddels duidelijk geworden zijn dat wij Groeten uit Tjideng niet ongelezen mogen laten. Dat zullen wij dan ook zeker niet doen. Overigens: Dicky Douw-Vos kan heel goed schrijven, dochter Marijke heeft het van haar.