29-05-2016

RIVIERENLAND 40-45

 

Een kolossaal kijk- en leesalbum leg ik voor u neer op mijn schrijftafel, dat een periode vol dramatische geschiedenis oprakelt. In beeld en woord glijden voor oog en geest jaren voorbij die het leed door de nazi’s aangedaan opnieuw doen beleven. Het gaat om het 128 grote bladzijden tellende, van meet tot finish zwart-wit geïllustreerde hardcover Rivierenland 40-45 van historicus Sil van Doornmalen en van uitgeverij WBooks. U veert nu op, want u kent de 40-45 reeks over het lokale en regionale wee in de Tweede Wereldoorlog. Ik mocht bij u eerder andere delen uit de inmiddels gerenommeerd geworden boekenserie introduceren. Ik noem ‘Dordrecht’, ‘Rotterdam’, ‘Leiden’ en ‘Den Haag’ en u bent weer helemaal in the picture. Op intrigerende wijze wordt het oorlogsgeweld verbeeld en verwoord. Daar u de voorgangers van Rivierenland 40-45 al kent, weet u wat u te wachten staat. Een doorwrocht werk dat uniek en ultiem de Duitse terreur van meer dan zeven decennia terug een revival doet beleven. In zijn Voorwoord, dat ik integraal u ga aanreiken, noemt E. Kok-Majewska de gemeenten van het westelijk Gelders rivierengebied die de context van het album vormen; Tiel, Zaltbommel, Geldermalsen, Culemborg, Buren, Neder-Betuwe, Maasdriel en Neerijnen. Met de zoons Muel, Time, Briam en met mijn eega Jans peddelde ik meerdere malen door deze regio, mij niet ervan bewust hoe fel ook hier Hitler en zijn trawanten huisgehouden hadden. Ik wist enkel dat mijn vader zaliger vanuit Kralingseveer in het laatste oorlogsjaar op eten uitging. Het gaat niet aan dat ik de authentieke foto’s ga noemen. Eén uitzondering maak ik: die op bladzijde 27 met het kopje ‘Boskoop 1940 Evacuatie’. Met mijn vrouw woonde ik ooit aan de boorden van de Gouwe in het dorp dat nu bij de gemeente Alphen a/d Rijn behoort. De plaat laat fietsende mensen met bagage achterop op de vlucht zien. De huizen op de achtergrond langs het water staan er nog steeds en een van de pluspunten van Rivierenland 40-45 is dat die locatie voor mij een dimensie meer krijgt. Ik citeer:

‘Tielenaren trekken op de fiets, in autobussen en vrachtwagens of met paard en kar door Boskoop. Voor de inwoners van Tiel kwam het evacuatiebevel onverwacht. Met een minimale voorbereiding begon op 13 mei de uittocht, via Vianen, richting Gouda, IJsselstein en Boskoop. Ruim 10.000 inwoners gingen die dag richting een evacuatieadres. De dertig gedetineerden die in het Tielse Huis van bewaring verbleven werden op een open vrachtauto met hun bewaking afgevoerd naar Gouda. Een aantal ernstig zieken bleef met wat personeel achter in het ziekenhuis. De evacuatie van de laatste circa 2.500 inwoners verliep moeizaam. De gevorderde voertuigen om hen op te halen kwamen niet allemaal aan omdat de oorlogssituatie inmiddels zo dramatisch was, dat sommigen chauffeurs het gevaar van beschietingen vanuit de lucht te groot vonden. Enkele honderden inwoners bleven uiteindelijk achter in Tiel waaronder ambtenaren zoals de burgemeester, het politiepersoneel, de brandweer, leden van de luchtbeschermingsdienst maar ook twee bakkers voor het dagelijkse brood.’

Om u het boek definitief in te loodsen geef ik u de tekst van de omslag en zoals ik al zei het voorwoord. Naar sommige platen blijft u wellicht net als ik kijken: naar meisjes van de Jeugdstorm die de vesting Loevestein binnen marcheren, naar het NSB vertoon voor het bordes van het stadhuis van Zaltbommel, naar Anton Mussert die zijn aanhang in het ‘Wehrmachtsheim’ toespreekt. Sic transit gloria mundi! In de zes chapiters Mobilisatie, Inval, Bezetting, Frontlinie, Bevrijding, Wederopbouw zult u zelf op andere eyecatchers stuiten,
De uitgever: ‘Het oorlogsgeweld trof de inwoners van het rivierengebied hard. In mei 1940 vonden gevechten plaats bij de Betuwestelling, in het verlengde van de Grebbeberg tussen Kesteren en Ochten. Alle spoor- en verkeersbruggen in de streek werden door Nederlandse militairen opgeblazen. Een deel van de bevolking moest evacueren. Tijdens de oorlogsjaren waren de kleine steden Tiel, Culemborg en Zaltbommel de centra van waaruit de bezetter in het gebied optrad. De Duitsers brachten er soldaten en politie onder en de NSB manifesteerde zich daar nadrukkelijk. De met zachte hand begonnen bezetting werd allengs bruter. Maatregelen tegen Joodse inwoners, gedwongen leveranties en de arbeidsdienst riepen weerstand op. Bezetting werd onderdrukking. De laatst acht maanden van de oorlog vormden de rivieren Maas en Waal de frontlinie tussen Duitse en Geallieerde troepen. Voor de tweede keer in de oorlog moest een deel van de inwoners evacueren. In december 1944 werd de Betuwe ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal onder water gezet. De streek behoorde tot de zwaarst getroffen gebieden in Nederland.’

E. Kok-Majewska: ‘Dit was Ochten’ is de veelzeggende tekst op een bordje aan de rand van het dorp in mei 1945. Het is niet algemeen bekend, maar het westelijk Gelders rivierengebied behoort tot een van de zwaarst getroffen gebieden in Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In mei 1940 maakte de streek al deel uit van de gevechten bij de inval van Duitse troepen. Maar vooral de periode van september 1944 tot mei 1945, liefst ruim zeven maanden, toen de rivieren Maas en de Waal de frontlinie tussen Duitse en Geallieerde troepen vormden heeft enorme gevolgen gehad. Het bord is overigens bewaard gebleven en heeft nu een plek gekregen in Streekmuseum Baron van Brakell in Ommeren. Dit boek is een beeldverhaal dat niet alleen aandacht heeft voor het laatste ingrijpende jaar, maar stil staat bij de hele periode van de Tweede Wereldoorlog; van de mobilisatie in 1939 tot aan het begin van de zware taak tot wederopbouw van de streek, van soldaten leven tot dagelijks leven onder bijzondere omstandigheden. De oorlogsjaren in het werkgebied van het Regionaal Archief Rivierenland oftewel in de huidige gemeenten Tiel, Zaltbommel, Geldermalsen, Culemborg, Buren, NederBetuwe, Maasdriel en Neerijnen zijn niet overal even ingrijpend geweest. Er is sprake van een duidelijke tweedeling tussen de plaatsen die in de frontlinie lagen en de dorpen achter het directe oorlogsgeweld. Dat maakt de jaren voor de inwoners van die dorpen niet minder heftig, maar het verklaard wel waarom in deze uitgave er meer aandacht is voor de plekken waar de strijd heeft plaatsgevonden. Dit boek laat zien, dat beeldcollecties van onschatbare waarde zijn bij het beschrijven van recente geschiedenis en een onlosmakelijke onderdeel zijn van de geheugenfunctie die het Archief heeft. Ik hoop dat deze foto’s ook uw nieuwsgierigheid aanboren. Nieuwsgierigheid naar meer foto’s. Want vele foto’s hebben de selectie voor dit boek namelijk niet gehaald. En naar meer verdieping in het archiefmateriaal dat over deze periode bewaard is gebleven. U bent daarvoor meer dan welkom op onze studiezaal in Tiel of op onze website. Dank aan alle instellingen en particulieren die bijzonder beeldmateriaal voor deze uitgave beschikbaar hebben gesteld. Dank vooral aan Sil van Doornmalen die dit beeldverhaal namens het Regionaal Archief Rivierenland heeft samengesteld voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van vijf jaren oorlog en dagelijks leven in het Rivierenland.’
 

OCHENEBBISJ

 

Een belangrijke, boeiende, horizonverleggende, veelzijdige bundel vol verhalen heb ik voor u, die op tintelende en treffende wijze het joodse wel en wee van een eeuw terug in Amsterdam oprakelt. Het gaat om het 414 bladzijden tellende Ochenebbisj samengesteld door Maurits Verhoeff en Thijs Wierema en uitgegeven door Bas Lubberhuizen met de ondertitel ‘Verhalen en geintjes over het Amsterdamse getto (1870-1925). De foto op de omslag zet meteen de toon, want bewoners van de Uilenburgerstraat poseren in 1910. Om de titel te verklaren, die staat voor ‘och arme’. De bijna veertig verhalen in Ochenebbisj die het joodse leven portretteren kennen een caleidoscoop aan auteurs, die ik deels reeds kende maar ook die voor mij onbekend waren. Een eerste rondgang door de bundel leerde mij dat onbekend onbemind maakt, maar omgezet kan worden tot bekend bemind maakt. Multatuli, Herman Heijermans, Is. Querido, Sam Goudsmit, Jacob Israël de Haan, zij schonken mij het plezier van lezen. Maar dat doen nu ook Jules de Vries, Meijer de Hond, Bernard Canter, Sani van Bussum en Hijman Overst.

Wat de bijeengebrachte schrijvers bindt is dat zij een kijk bieden in het doen en laten van onze joodse medeburgers van toen. Zij verwoorden zo goed en zo treffend dat zij een kleurrijk en karakteristiek beeld schetsen van een bevolkingsgroep die van de nazi’s een paar decennia later niet verder mochten leven. Ochenebbisj is een saluut aan de Joden die niet wetend aan de vooravond leefden van de Holocaust. Ik haast mij te zeggen dat Ochenebbisj een macht en een pracht van een aanvulling is op een ander boek van Bas Lubberhuizen. Een paar weken terug mocht ik bij u introduceren dat geweldige en sublieme vademecum 496 bladzijden tellende, rijk geïllustreerde vademecum ‘Gids van joods erfgoed in Nederland’ van Jan Stoutenbeek en Paul Vigeveno. Ons Ochenebbisj brengt deze reusachtige hommage aan onze Joodse landgenoten tot leven. Om dat aan te tonen maken wij later hier een tocht er doorheen. Als proviand voor die trip reik ik u nu het eerste gedeelte van ‘Woord vooraf’ van Selma Leydesdorff en de tekst op de omslag aan. De volgende keer ga ik verder met het citeren van Selma Leydesdorff.

De uitgever: ‘Maurits Verhoeff en Thijs Wierema verzamelden in Ochenebbisj (Jiddisch voor 'och arme') verhalen, schertsen, poëzie en toneel van grootheden als Multatuli, Israël Querido, Herman Heijermans en Jacob Israël de Haan, maar spoorden in bibliotheken en archieven ook werk van onbekende schrijvers op. De gekozen werken zijn heel verschillend van karakter: beschouwend of cynisch, humoristisch of nostalgisch. Het authentieke taalgebruik draagt bij aan een levendig beeld van het toenmalige leven in het getto onder armoedige omstandigheden. Onderwerpen zijn onder andere het gezinsleven, de markt, de diamantindustrie of het leven zoals zich dat op straat afspeelde. In een uitvoerig voorwoord plaatst Selma Leydesdorff het geheel in de juiste context.’
Selma Leydesdorff: ‘Wie kijkt naar oud joods Amsterdam kan zich niet onttrekken aan het feit dat het gaat om de cultuur van een minderheid, haast per definitie afwijkend van de meerderheid van de bevolking. Over dat anders-zijn had iedereen een oordeel: de een vond dat ze zich moesten aanpassen, de ander hield juist van het eigene. Daarover gaan de verhalen in dit boek. Ze zijn geschreven door tijdgenoten, tussen 1872 en 1926, en ze beschrijven vrijwel alle de joodse cultuur van de armoede, maar dat gebeurt op heel veel manieren. Ze verschenen voor het grootste deel in de obscure, nu vrijwel onvindbare brochures, van de hand van ons onbekende schrijvers. Daarom gaat het nu om een unieke collectie. Het gaat bovendien om beschrijvingen van geletterde mensen, joden en niet-joden, die in die periode meestal niets ophadden met het lagere volk. Of het joods was of niet, ze waren chaotisch, vuil en onbeschaafd. De Amsterdamse joden hebben sinds hun komst naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in de achttiende eeuw bij elkaar gewoond in wat de jodenbuurt werd genoemd. Zij waren niet gedwongen bij elkaar te leven maar het gebeurde toch.

Getto, het woord dat in de ondertitel van dit boek staat, werd oorspronkelijk gebruikt wanneer joden door de overheid gedwongen werden in een bepaalde buurt te wonen, al dan niet omgeven door een muur. Venetië is van oudsher het bekendste voorbeeld. Later werd het woord veel algemener gebruikt voor: die wijken waarin veel joden leefden, ook voor de Amsterdamse jodenbuurt. Maar een dwang als in Venetië bestond er niet. In de Tweede Wereldoorlog werd het woord getto verbonden met de moord op joden, waaraan isolatie in de afgesloten wijken voorafging. Getto betekende het voorportaal van deportatie en vernietiging, en het werd haast onmogelijk het begrip nog te gebruiken voor een buurt waar het merendeel der joden vrijwillig koos te leven. Toch is voor het woord gekozen om aan te geven dat de teksten in dit boek gaan over een afgesloten leefwereld van joden, waarover door ooggetuigen verteld is en waarop toen die wereld niet meer bestond, met liefde is teruggezien.

De Amsterdamse joden leefden binnen hun eigen cultuur, in een levendige wereld met eigen gezegden en een eigen taal. Zij namen de wereld waar op een manier die bij hen paste, en verwoordden wat ze daar zagen en meemaakten anders dan in het gewone Nederlands. Niet alleen omdat ze eigen woorden kenden, maar ook omdat ze anders vertelden; vaak in vlugge associaties, waarbij van alles ook niet gezegd werd. Niet alleen leefden zij achter een onzichtbare muur die vanzelfsprekend was, maar ze konden ook haast niet anders: voor hen lag de rest van de wereld achter een muur, een wereld die zowel begeerlijk als gevaarlijk leek. Het merendeel van de Nederlandse joden leefde tot aan de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam. Aanvankelijk vormden zij de Joodse Natie en kenden zij een eigen bestuur en rechtspraak. Vanaf hun emancipatie in 1796 werd zij juridisch gezien gewone Nederlanders en kwam de uitzonderingspositie te vervallen. Wel bleven kerkelijk bestuur en kerkelijke rechtspraak, ook al waren zij geen wet, lange tijd onbelangrijk. Vanaf die tijd begon het langzame proces van integratie, dat zich eerst tot de echte elite beperkte, door te dringen to de betere standen. Later werden zij gevolgd door een grotere groep van mensen die hun weg zochten in de niet-joodse samenleving. Het betekende een gestage uittocht uit de Jodenbuurt naar betere wijken waar meer lucht en hygiënischer levensomstandigheden waren, en waar men kwam te wonen tussen onbekende mensen, van wie men de gewoonten weliswaar niet meteen overnam, maar met wie nieuwe vormen van met elkaar omgaan verkend werden.’

Historicus en hoogleraar Leydesdorff verstaat de kunst veel te zeggen op toegankelijke wijze!

EINDFEEST

 

Ik ga u demonstreren hoe een goed boek u meteen bij de entree al u in de greep kan hebben. Ik geef u de eerste bladzijden van een literaire thriller door en weet zeker dat u in no time op weg bent om die aan te schaffen. Het gaat om het 302 bladzijden tellende Eindfeest van onze eigen Jet van Vuuren en van uitgeverij Karakter. Op de omslag prijkt een plezierige sticker met ‘Nu 15,00 euro en in het colofon staat dat Eindfeest de achtste kraker van Van Vuuren en van Karakter is. Als entree voor de taalproeve die de taalkunst van Jet van Vuuren uitbundig illustreert reik ik u de tekst van de omslag van de uitgever aan. Opdat u in the picture belandt. Ik stel voor dat wij elkaar weer om Eindfeest hier ontmoeten, als wij haar achtste geesteskind tot ons genomen hebben. Van Vuuren kennende, kan ik u nu al zeggen dat haar nieuweling weer een voltreffer zal zijn. Zeker weten! Wat is het een genot heerlijk lui een goed boek te lezen.

De uitgever: ‘De klok tikt door en de tijd dringt. Niemand kan leven met een moord op zijn geweten, behalve als je bent opgegeven…Constance is een gescheiden vrouw met een prachtig verbouwde villa in het Gooi, een goedgevulde bankrekening, een creatieve baan en een paar goede vriendinnen. En hoewel ze niet vrijwillig voor haar scheiding heeft gekozen, weet ze er ook zonder man het beste van te maken. Dat fijne leven verandert van de een op andere dag wanneer bij Constance kanker wordt vastgesteld en de artsen haar bijna onmiddellijk daarna opgeven.
Constance besluit een afscheidsfeest te geven voor een aantal van haar vriendinnen. Met het verschil, dat ze alleen de vrouwen uitnodigt die haar in de steek lieten toen ze ziek werd. Daardoor krijgt het afscheidsfeest een wrang randje. Wat deze vriendinnen namelijk niet weten, is dat het voor Constance letterlijk het laatste feest van haar leven wordt. En wat haar betreft geldt dat ook voor hen.’

Jet van Vuuren: ‘Lief dagboek, Vandaag word ik tien. Jij bent mijn eerste, echte dagboek. Jij hebt een slotje en dat wilde ik graag omdat alles wat ik aan jou vertel geheim is. Mijn vorige dagboek was een schrift. Dat heeft Tobias afgepakt en daarom schrijf ik daar niet meer in. Tobias is stom. Hij is mijn broertje en maar 1 jaar jonger. Toch doet hij alsof hij veel ouder is. Ik vind hem heel irritant omdat hij altijd alles beter weet. Mama zegt dat ik minder verlegen moet zijn en ook heel veel weet. Ik weet namelijk alles van vogels. Ik ken hun eieren. Weet waar ze hun nesten bouwen en teken graag hun veren na. Ik kan bijna net zo goed tekenen als papa. Hij heeft het me geleerd. Tobias kan niet tekenen. Niet zoals ik. Tobias leest alleen maar stomme jongensboeken van de Kameleon en Flipje van Tiel waar hij plaatjes voor spaart.’ Mama heeft beloofd dat we vanmiddag na school naar de stad gaan om een nieuwe jurk voor mij te kopen. Alleen mama en ik. Papa moet werken in zijn atelier en Tobias speelt bij een vriendje. Vanavond komen opa en oma eten en mag ik laat naar bed. Morgen is het zaterdag en geef ik een feestje. Dan komen mijn vriendinnen en eten we slagroomtaart. Ik ga nu stoppen want ik wil nog wat tekenen. Papa heeft me een boek over de anatomie van dieren gegeven. Daaruit ga ik plaatjes natekenen. Ik kan heel goed natekenen.

Doodop bereikte Victor Daans zijn huis. Hij boog zijn rug, liet zijn armen los langs zijn lichaam bungelen en draaide zijn verhitte gezicht in de richting van zijn sporthorloge. ‘O, nee… niet weer…’ zuchtte hij hijgend toen hij zag dat de tijd van zijn duurloop ver achterbleef bij zijn verwachtingen. Twee minuten langzamer dan gisteren. Happend naar adem voelde hij zijn hartslag onverminderd snel door zijn borstkas jagen. Drie maanden van keiharde training. Niets van te merken. Terug bij af. En dat allemaal door haar. Zijn nieuwe patiënte voor wie alle andere afspraken moesten wijken. Bloed klopte achter zijn ogen. Traag richtte hij zich op, schuddend met zijn hoofd, in de hoop dat daarmee de ruis uit zijn oren zou verdwijnen. Een luide hoest volgde. De rochel die daarbij vrijkwam belandde in het gras. Terwijl zijn hartslag weer langzaam overging op het normale ritme, stapte hij moeizaam op de dikke kastanje af die zijn huis en het huis van de buren in de zomer van schaduw voorzag. Hoewel de lente al een flink eind op weg was, hielden de bladeren zich nog angstvallig schuil in hun knoppen. Eén nachtvorstje en ze zouden bevriezen. We nemen het zekere voor het onzekere, leken ze te denken. Dat had hij ook beter kunnen doen. Dan had hij zich nooit ten volle in dat avontuur met haar gestort. Dan waren zijn hartslag en tijd nu oké geweest, dan had hij op zijn boerenfluitjes de marathon van New York kunnen lopen. Eindfeest Hij leunde tegen de oude boom, drukte zijn handen tegen de knoestige bast en blies zijn kuiten op tot strakke ballonnen. Hardop telde hij tot vijf. Toen zijn benen begonnen te tintelen liet hij los. Voor een moment zocht hij nog steun tegen de boom. Als een oude man, der dagen zat, liet hij opnieuw zijn hoofd hangen. Een paar seconden later draaide hij zich om en wierp een blik op de huizen aan de overkant, op de ramen van zijn rijke, gepensioneerde buren. Geen mens te zien, niemand die hem zo zag lijden. Nogmaals liet hij een klodder spuug over zijn tong rollen. Voetje voor voetje schreed hij richting de voordeur. En bij iedere stap die hij zette, leken zijn doorgaans zo soepele, reflecterende Nikes meer en meer op zware legerlaarzen die zich voortsleepten door dikke klei. Was dit dezelfde gezonde zestiger van een paar weken terug? Diezelfde man die voor de derde keer in zijn leven voor die wereldberoemde marathon trainde? Hij moest zichzelf het antwoord schuldig blijven.

Vlak boven hem schetterde een hoog mezenkoor. Zelfs de vogels lachten hem uit. Bijna had hij de deur van zijn huis bereikt toen zijn aandacht werd getrokken door het grote naastgelegen raam van de praktijkruimte. Het lage zonlicht haalde genadeloos uit naar het stoffige en vuile glas waar ooit een garagedeur had gezeten. Doorgaans zou dat vuile raam hem niet zijn opgevallen, dan rende hij direct door naar de achterkant van het huis. Liever niet met dat bezwete lijf en die zanderige voetzolen via de voordeur, vond eega Coby. De hal met het zitje en het fraaie Perzische tapijt moesten netjes blijven voor de wachtende patiënten. Nu trok hij zich niets van deze afspraak aan. Hij draaide de deur van het nachtslot en stapte naar binnen. De grote spiegel tegenover het zitje liet een uitgeputte man met ingevallen wangen zien. Een man over wiens wangen rode, vurige nagelstrepen liepen en die een gemene bloeduitstorting onder een van zijn ogen had. Geschrokken van zijn spiegelbeeld wendde hij vlug zijn gezicht af. Zo zag de wereld hem nu, als een vechtjas. Niet langer als die charmante, grijzende en begripvolle dokter bij wie vrouwen zo graag kwamen uithuilen. Hij aarzelde. Coby was niet thuis. Hij hoefde niet per se te douchen. Nog niet. Eerst even bijkomen, het late middagnieuws zien.

Rillend opende hij de deur naar de werkkamer. Hij had zich er de hele dag niet laten zien. De kou van de afgelopen nacht hield de kleine ruimte nog steeds in zijn greep. Net als de bijna zo vertrouwde parfumgeur van Constance, die sinds haar komst hier de sfeer bepaalde. Hij was een sukkel. Koud zweet plakte aan zijn rug en bezorgde hem een nieuwe rilling. Zonder na te denken liep hij naar de verwarming en draaide hem open. Even gedachteloos pakte hij de afstandsbediening van de tv en richtte hem op het zwarte vlak van het beeldscherm. En terwijl de juiste zender direct aanfloepte en de stem van de nieuwslezer de kamer vulde, schoof Victor een koffiekopje onder het espressoapparaat dat op de tafel naast zijn bureau stond. ‘… het ongeluk waarbij een personenauto frontaal op een tegenligger botste en alle inzittenden om het leven kwamen, gebeurde vanmiddag naar schatting rond het middaguur op de provinciale weg ter hoogte van Blaricum. Ooggetuigen spreken van een spookrijder. Een politieonderzoek moet uitwijzen wat de ware toedracht is van dit ernstige verkeersongeluk. Overig binnenlands nieuws: door treinstoringen zijn er extra vertragingen op Schiphol, reizigers moeten rekening houden…’

Het beeld van de nieuwslezer vervaagde toen abrupt een waas voor Victors ogen trok. De stem van de man stierf onmiddellijk weg nadat Victor de afstandsbediening uit zijn hand liet glijden en de tv uit ging. Via het antieke tafeltje dat tussen de twee fauteuils stond, belandde het kleine apparaat op de grond. Het lipje waarachter de batterijen zaten sprong open. Een van de batterijen raakte los en kwam naar buiten. Met veel kabaal rolde het staafje over de houten vloer. Victor vroeg zich af of de vallende batterij zo oorverdovend hard in zijn lichaam nadreunde of dat het zijn eigen hartslag was. Het nieuwsfragment over de autocrash had zich vastgezet in zijn hoofd. Een cabrio, een autowrak, alle passagiers waren dood. Het beeld week niet van zijn netvlies. Diezelfde cabrio. Hoe vaak had deze auto hier op het pad voor zijn praktijkruimte gestaan? Nog sneller sloeg zijn hart in zijn borstkas. Zijn keel sloot zich af. De spieren rond zijn maagstreek trokken zich samen toen hij zich realiseerde hoe de inzittenden van deze auto aan hun eind waren gekomen. Op een barbaarse manier moesten ze zijn onthoofd. Victor hapte naar adem. Met een verwilderde blik in zijn ogen draaide hij zijn hoofd naar een stapeltje schriften dat op zijn bureau lag. De dagboeken van Constance. Te laat om daar nog in te kijken. Constance was dood. Meteen drong zich een nieuwe schrikgedachte aan hem op. Wat ging hij tegen de politie zeggen als zij hem in verband brachten met dit ongeluk?

1936

 

Een wederom prachtig geschreven boek heb ik voor u, waarvan de auteur opnieuw via non-fictie een brok boeiend en bewogen verleden gedreven en gepassioneerd oprakelt. En dan zo dat het lijkt of u door het relaas bovenop het gepasseerde gebeuren zit. Het gaat om het 288 bladzijden tellende, authentiek geïllustreerde 1936 van Auke Kok en van uitgeverij Thomas Rap met de ondertitel ‘Wij gingen naar Berlijn’. De omslag van de paperback zet meteen de toon, want op een ereschavot brengt een van de drie triomferende dames niet de Olympische maar de Hitlergroet. Zoals de titel al suggereert gaat het om de Olympische Spelen van tachtig jaar terug, die gehouden werden in het Duitsland, waar rijkskanselier en staatshoofd Adolf Hitler en zijn nazi’s zich sinds 1933 onderscheiden door het haten van de Joodse medeburgers. Zoals de code voorschrijft brengen de winnaars met opgeheven arm de Olympische groet, waarbij de arm helemaal omhoog gaat. Op de foto van de omslag brengt een van de drie dames de Hitlergroet waarbij de rechterarm in de lucht wordt uitgestrekt met gestrekte hand en eveneens gestrekte handpalm.’ Rie Mastenbroek staat als winnaar van het goud in het midden en glimlacht naar het publiek, waaronder Hitler en zijn kliek, zich niet bewust wat haar later te wachten zal staan. Tot ver in haar bestaan wordt haar door velen in ons land het verwijt gemaakt met ‘Mevrouw Mastenbroek, hoe was het nou om te zwemmen voor Adolf Hitler?’ Het brons op de honderd meter vrije slag is voor Gisela Arendt, die de Duitse Hitlergroet brengt. De glunderende en wat verlegen ogende Mastenbroek zal in en na de Tweede Wereldoorlog doorgaan als de vrouw die in het licht der nazi’s zwom. Hoe anders verliep het die andere atlete Fanny Blankers-Koen, die in 1944 bij de Olympische Spelen in 1948  glorieus in de prijzen viel. Ik weet nog mij goed te herinneren in welke euforie mijn huisgenoten verkeerden toen de Vliegende Huisvrouw op de baan vier maal het goud opeiste. Acht jaar later was het andere koek, want toen boycotte Nederland samen met Zwitserland en Spanje de Spelen in Australië naar aanleiding van het bloedige ingrijpen van de Sovjet-Unie in Hongarije. De NOC had hiertoe besloten.

Dat brengt mij op het volgende. De doorgaans doodgewone sporters zijn afhankelijk van de eventuele politieke grillen. Als de officials zich genoodzaakt zien een statement te maken - en dat doorgaans zonder hun aspirant-deelnemers aan de Spelen te raadplegen – zijn die in vele opzichten de dupe. Zo in 1956 waar wij een van de drie waren. Andere koek was het in 1936, want toen mochten de vaderlandse olympiërs wel gaan, ondanks de antisemitische geweldplegingen in het buurland, maar toen werden zij later erop aangekeken . De nazi’s verloren en sleurden de Berlijnse sporters mee. Achteraf praten is heel gemakkelijk, achteraf kijk je een koe in de kont. Rie Mastenbroek werd decennialang nagedragen dat zij het gewaagd had de nazi’s te plezieren. Of zij de eerst verantwoordelijke van haar land was. Om de context daarvan te geven reik ik u een gedeelte van het eerste chapiter ‘Bitter’ van Auke Kok aan. Die overigens geen verdere aanbeveling behoeft, want hoe blij waren wij recent met zijn ‘Oorlogsliefde, De weduwe Van der Waals’ en zijn ‘De redding van de familie Van Cleeff’!
Een volgende keer maken wij hier een tocht door 1936. Als bagage voor onderweg geef ik u niet alleen een citaat uit het begin maar ook de tekst van de uitgever op de omslag. Ik bemin boeken die hun roots vinden in zich voorgedane realiteit. Op voorwaarde dat ze in goed proza vervat zijn en daaraan voldoet Auke Kok in optima forma. Dat gaat u nu traceren maar eerst de woorden op de paperback. Hoe heerlijk een mooi boek te lezen dat over een thema dat er toe doet gaat. Want over een paar maanden de games in Rio de Janeiro.

DBB: ‘Met drie gouden en een zilveren medaille keerde de zeventienjarige Rie Mastenbroek terug naar Nederland, waar de zwemster werd onthaald als de ‘keizerin van Berlijn’. Maar er waren meer opvallende Hollandse sterren, zoals Tinus Osendarp, die het opnam tegen de legendarische Jesse Owens. De sprinter – en later SS’er – won tweemaal brons en werd door de pers gevierd als ‘de snelste blanke op aarde’. Na de oorlog werden de Spelen van 1936 beschouwd als een gigantische propagandastunt waarmee Hitler en Goebbels de wereld zand in de ogen hadden gestrooid. Wat betekende dat voor onze atleten? Hadden zij thuis moeten blijven, zoals onder anderen de bokser Ben Bril? Hoe waren de discussies vooraf en waarom zijn sommigen er hun leven lang gebukt onder gegaan? Tachtig jaar na dato beschrijft Auke Kok het fascinerende verhaal van de Nederlanders die naar Berlijn gingen.’

Auke Kok: ‘Op haar zeventiende jaar was ze gelauwerd als de meest succesvolle vrouwelijke deelnemer aan de moderne Olympische Spelen tot dan toe. Haar prestaties in 1936 waren ongekend: goud op de honderd en de vierhonderd meter vrije slag, goud op de viermaal honderd meter estafette, zilver op de honderd meter rugslag. Op enkele gedenkwaardige augustusdagen in 1936 had ze zich de geschiedenisboeken in gezwommen als dat meisje met een ijzeren wil. Wanneer Rie met haar gezellige bolle toet op het hoogste schavot stond, in haar blauwe blazer en haar witte lange rok, dan schoot het land vol. Commentator Han Hollander kon amper nog praten van de emoties, en de journalisten vulden hun notitieblokjes met kippenvel terwijl de nationale driekleur langs de mast omhoogging. Keer op keer schalde het Wilhelmus door het stadion van Berlijn. Rie op haar witte schoentjes tussen de bloemen, een eikenboompje in de had: heel Nederland laafde zich aan de moed en de wilskracht van kloeke Rie uit Rotterdam.
Luisterend naar de radio of kijkend naar het Polygoonjournaal veerde de natie op uit de misère van de economische crisis, politieke spanningen en massawerkloosheid, en sloot de eerste vaderlandse sportheldin in de armen als een welkom geschenk. Spontaan, eerlijk, onbevangen: was iedereen maar zoals de volksmeid uit de Tuindersstraat, Vanuit de sloppen bij de Maas naar de top van de wereld: het kon, Rie Mastenbroek bewees het.

Na de oorlog werden de Spelen van 1936 als een propagandastunt gezien, een waanzinnige truc van Adolf Hitler. De nationaalsocialisten hadden de wereld zand in de ogen gestrooid door te doen alsof Duitsland een keurig land was, in sportief maar ook in politiek opzicht, en nu leek het of de glorie van Rie Mastenbroek daaraan had bijgedragen. Dankzij de internationaal bewonderde Spelen van Berlijn was Hitler erin geslaagd zijn dubieuze reputatie bij te stellen. Op geraffineerde wijze had hij de indruk gewekt meer te zijn dan een volksmenner of een agitator. Vervolgens was het veel te laat duidelijk geworden dat al zijn gepraat over sport en vrede uitsluitend was bedoeld om tijd te winnen voor het optuigen van zijn duivelse oorlogsmachine. De Spelen waren onderdeel geweest van een politiek charmeoffensief. Rie Mastenbroek had daarvoor geen kennis gehad, maar omdat ze zo geweldig had gezwommen was het net of er een sticker met ‘Hitler’ op haar voorhoofd zat geplakt. Wat ze ook deed, de sticker bleef zitten waar die zat en zo kreeg ze soms het gevoel dat de grootste tragedie van de twintigste eeuw haar persoonlijk werd aangerekend. Niet zo lang na de oorlog zei ze: ‘Als ik alles van tevoren had geweten, had ik het niet gedaan.’ Het ‘Onze Rie’ van 1936 maakte plaats voor suggestieve vragen, voor bestuurders die zich omdraaiden als ze kwam aanlopen en voor oud-collega’s die haar plotseling niet meer wilden kennen. Ergens in de jaren zestig, Rie woonde inmiddels in Amsterdam vanwege haar werk, kwam ze op de Albert Cuypmarkt de voormalige hardloopster en olympische kampioene Fanny Blankers-Koen tegen. Iedereen kende Fanny als de winnares van vier gouden medailles tijdens de Spelen in 1948. Niemand verweet Fanny iets over haar deelname als tiener aan de Spelen van 1936, en dat wilde de Vliegende Huisvrouw graag zo houden. ‘He Fanny!’ ging Rie’s luide stem langs de kraampjes op de Albert Cuyp.
Blankers-Koen draaide zich half om, zag wie er op haar afkwam en liep snel door. Kennelijk wilde Blankers-Koen haar populariteit niet in de waagschaal leggen door op zo’n druk punt in Amsterdam – de stad die haar in 1948 een fiets had geschonken – aardig te doen tegen de vrouw met de foute sticker op het hoofd. Zoon Otto zou de stoom die even later uit zijn moeders oren kwam niet meer vergeten. Leugens en lafhartigheid, daar hoefde je bij Rie niet mee aan te komen. Ze had het genoeg meegemaakt, op jonge leeftijd al, en daarom foeterde ze midden in de huiskamer: ‘Dat teringwijf doet gewoon alsof ze me niet meer kent! Ze loopt zomaar door, alsof ik lucht ben. Geloof je dat nou? Haar geven ze een fiets, en wat geven ze mij? Niets.’ Op dat moment was Fanny Blankers-Koen al lang Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Rie Mastenbroek zou die eer nooit ten deel vallen. Zo veel verschil kon het maken op welke Spelen je gouden medailles waren gewonnen.’