
Die middag van de 30ste oktober was het alle hens aan dek in het auditorium van het Dordrecht Museum. In de zaal, met aan de muren werken van de Nederlands-Franse romantische kunstschilder Ary Scheffer, blikten genodigden naar de beeltenis vooraan op de overhead. Op de tekening daar showt een houten oorlogsschip, dat op 2 november 1865 van stapel liep. Bijzonder voor die tijd was daarbij dat de achtersteven naar het water was gericht. Precies 150 jaar na die happening waren velen letterlijk van heinde en ver op komen dagen om de entree van een bijzondere expositie luister bij te zetten. Het ging om de tot en met 27 maart gaande tentoonstelling ‘Kaiyo-Maru, een Japans oorlogsschip van Dordtse bodem’. Met als feitelijke locatie twee zalen in het bijna aanpalende Hof van Nederland. Om met de deur in huis te vallen: Kaiyo-Maru staat voor het ‘open gaan van de zon’, waarbij ‘yo’ ook helderheid, toekomst betekent. De naam staat dan ook voor het lichten van de dageraad als het binnengaan van een nieuwe toekomst voor het land. De Kaiyo-Maru dient als voorbeeld voor de nieuw Japanse oorlogsvloot.
Oratoren die memorabele vrijdag in de middag waren niet alleen gastheer directeur Peter Schoon maar ook burgemeester A.A.M. Brok en ambassadeur van Japan in Nederland Masaru Tsuji. In twee talen lieten de drie autoriteiten hun woorden door de aula vlinderen en daar hun toehoorders bijna gelijkelijk in aantal naar landsaard verdeeld waren, traceerde ik een half uur lang signalen van begrip en instemming. Een tolkdame was wel het medium, maar ik geef toch de voorkeur aan het Voorwoord in de van de wethouder cultuur in de begeleidende catalogus. Voor ik Sleekink het woord geef eerst dit. In Het Hof van Nederland luidde de Japanse ambassadeur de scheepsbel voor de ingang van de tentoonstellingsruimte. Na de welluidende tonen trok ik in mijn uppie voorbij de attributen die de herinnering aan 1865 levendig moesten houden of dienden op te rakelen. Zo scheepsbouwgereedschap, bouwtekeningen, kaarten zwaarden, bogen, krantenberichten, schilderijen, kimono’s. Opnieuw kreeg ik een historische sensatie die mij aangereikt werd door het Dordrechts Museum.
Nu de wethouder met zijn ‘De Kaiyo-Maru verbindt Dordrecht met Japan’ - 1865. Dordrecht staat op een breukvlak in haar geschiedenis. De stad is eigenlijk nog beperkt tot het oude middeleeuwse centrum, de industrialisatie heeft haar intrede nog niet gedaan en het eiland is alleen per schip te bereiken. Binnen twintig jaar zal dit beeld compleet zijn veranderd. Ook Japan ondergaat in deze periode een metamorfose. Het zelfgekozen isolement waarin het land eeuwenlang heeft verkeerd wordt in 1853 ruw verstoord als de Amerikanen met vier oorlogsschepen de Baai van Tokyo binnenvaren en de openstelling van Japan eisen. Deze gebeurtenis leidt tot een politieke, economische en militaire revolutie. Japan heeft nauwelijks iets wat marine genoemd kan worden en de shogun besluit daarom in ijltempo een moderne vloot op te bouwen. Japan doet hierbij een beroep op Nederland, waarmee als bijna driehonderd jaar vriendschappelijke contacten bestaan. De stad Dordrecht speelt in dit proces een belangrijke rol. Japan bestelt via de Nederlandsche Handel-Maatschappij een nieuw oorlogsschip en de keuze valt op de werf van C. Gips & Zonen in Dordrecht. Op 2 november 1865 vindt aan het Wilgenbos onder grote publieke belangstelling de tewaterlating van de Kaiyo-Maru plaats, op dat moment het grootste in Nederland gebouwde houten oorlogsschip.
De geschiedenis van het schip is kort: eind 1868 slaat het al tijdens een vliegende storm bij Esashi op de rotsen. Toch is de Kaiyo-Maru bij veel Japanners een begrip, zoals ik nog tijdens mijn bezoek aan Japan eerder dit jaar mocht ervaren. Het heeft ook tot een blijvende relatie tussen Dordrecht en Japan geleid. Nog geregeld bezoekt een groep nazaten van de bemanning van het schip onze stad. Dit jaar is er speciale aandacht voor die relatie met de tentoonstelling ‘De Kaiyo-Maru, een Japans oorlogsschip van Dordtse bodem’ in het Hof van Nederland en met deze publicatie. Daarnaast zijn er vergevorderde plannen om aan het Wilgenbos een blijvend gedenkteken te plaatsen. Het is een deel van onze geschiedenis waar we trots op mogen zijn, en dat veel meer Dordtenaren mogen kennen. Ik hoop dat deze herdenking zal bijdragen aan meer historisch onderzoek naar en inzicht in het eigene van onze unieke stad.’

De vier van het boekenpanel in De Wereld Draait Door gingen dinsdag een week terug eensgezind voor een topper waarvan ik u op verzoek van luisteraars en kijkers het eerste stuk wil laten proeven. Opdat u net als ik opnieuw in de ban komt van de kunst van goed schrijven. Het gaat om de 480 bladzijden tellende roman Leven tot elke prijs van de Zweedse Kristina Sandberg en van uitgeverij Nieuw Amsterdam. De vertaling is van Jasper Popma en Wendy Prins en de wikkel om de gebonden uitgave toont een straatbeeld uit de jaren vijftig. Hoe relevant het straatbeeld is, toont het eerste chapiter uit Leven tot elke prijs aan want het draagt als titel ‘Stockholm, 1953’.
Tijdens DWDD vielen omschrijvingen als ‘historisch’, ‘fascinerend’, ‘fonkelend’, ‘vilein’, ‘verborgen gedachten van zich opofferende moeder’, ‘scherpzinnig’ en ‘gewoon goed’. Mijn citaat van nu – de komende weken volgen er nog meer stukken – etaleert vooral het weergaloze, onnavolgbare, diepgravende, alleszeggende talent van Kristina, geboren in 1971. Zij schrijft met spanning, de drang tot verder lezen. En dat is knap.
Maar eerst geef ik u de tekst op de wikkel van de uitgever;
‘Stockholm, 1953. Maj's echtgenoot Tomas trakteert het gezin op een weekend weg. Maj zou gelukkig moeten zijn maar is het niet. Haar kinderen Anita en Lasse zijn veertien en elf en nemen steeds meer afstand van hun moeder. Tomas worstelt met financiële problemen binnen zijn familiefirma. Maj probeert als echtgenote en moeder een ideale huisvrouw te zijn en wringt zich in allerlei bochten om te voldoen aan de eisen van de maatschappij. Hoe harder ze echter de schijn van geluk probeert op te houden, hoe meer druk er op haar gezin komt te staan. Leven tot elke prijs is de bekroonde Zweedse bestseller over de worstelingen binnen Maj's gezin. Een gedetailleerde, bijna hypnotiserende vertelling over sociale klassen, relaties, moederschap en de veranderende rol van de vrouw in de twintigste eeuw.’ En de loftuitingen: 'Prachtig en scherpzinnig. Kan niet genoeg geprezen worden.
Sandberg biedt een uniek vrouwelijk perspectief op de twintigste eeuw die zich met razende veranderingen heeft voltrokken.' Arbetarbladet. 'Enorme energie en vitaliteit. Een van de boeiendste en intiemste vrouwenportretten van de afgelopen jaren.' Helsingborgs Dagblad. 'Zou meer aandacht moeten krijgen dan die... hoe heet hij ook alweer... Knausgård? Maj's strijd is echt eindeloos veel interessanter voor vrouwen. Sorry, Karl Ove.' Boras Tidning. 'Indrukwekkend. Geeft woorden aan een geschiedenis van een meerderheid in de marge. Sterk, eigenzinnig en treffend.' Svenska Dagbladet. Wij zullen hier later traceren of de lui van DWDD en die uit Zweden het gelijk aan hun zijde hebben!
Sandberg: ‘Als iemand verdwenen is, wanneer neem je dan contact op met de politie? Maj weet het niet. Ze staat in de nette, anonieme hotelkamermet de dubbele gordijnen – de zware gesteven beige van gebloemd cretonne plus de dichtgetrokken witte vitrages – zijn ze wat geligvan de nicotine? Nu ben je weduwe. Nee! Tomas komt zo. Zacht geruis van de waterleiding – een nachtbraker is nog wakker. Even voor enen. Ga naar bed, Maj. Rust een poosje. Ze kan nu toch niet slapen. Kan zich er zelfs niet toe zetten tegen het hoofdeinde te gaan zitten. Hoort ze haar hart bonken? Het plakkerige gesmak van haar tong tegen het gehemelte. Haar tanden. Drink een glas water. Dat zal ze doen. Een koud glas water halen bij de kraan in de badkamer. Maar dan klinkt er geklop op de deur. Een ritmisch roffeltje. Ze haast zich ernaartoe, doet open. Lasse en Anita. Als kleine kinderen in pyjama en nachtjapon – ze lijken zoveel jonger dan hun elf en net veertien jaar – is papa al terug? We kunnen niet slapen… Maj schudt haar hoofd. Zegt dat ze wel bij haar mogen komen. Dat zij ook wakker is. Ze haalt de sprei van het tweepersoonsbed, slaat beide dekbedden open, waarop Lasse meteen op het matras begint te springen zodat de veren doorbuigen – ze had Anita en Lasse zich toch maar gereed laten maken voor de nacht – misschien was het dom van haar om ze naar hun eigen kamer te sturen om daar te gaan slapen. Ze wilde alles graag normaal laten lijken. Hun het vertrouwen geven dat papa gauw terug zou zijn. Als hij al komt.
Hou op, Lasse – en hij stopt met springen zodra Anita er iets van zegt. Maj gaat in de leunstoel zitten – moet ze de lamp op het bureau echt aan laten – ga nu slapen, maant ze hen, ze pakt een sigaret, strijkt een lucifer af. Wees zuinig met de sigaretten, wat doe je als ze op zijn? Ze heeft niet eens genoeg contanten voor een pakje rookwaar. Snel drukt ze hem uit in de asbak, stopt de amper gerookte sigaret terug. Tomas is in elkaar geslagen. Beroofd van zijn portefeuille. Ligt ergens gewond zonder dat ze zijn identiteit kunnen achterhalen. Misschien lopen mensen hier wel gewoon langs iemand die mishandeld is. Of ? Wat zou anders de reden zijn dat hij haar en de kinderen alleen op een hotelkamer in de hoofdstad achterlaat? Pas als ze gaat verzitten in de leunstoel, merkt Maj hoe hard ze haar dijen tegen elkaar drukt. Adem. Ontspan. Lacht ze even? Ze slaat opnieuw haar ene been over het andere, haakt haar voet achter haar enkel. Ze heeft geen rijbewijs, geen geld voor eten, treinkaartjes…heeft hij gezorgd dat ze in de buurt van haar oudere zus is – hij heeft hen toch niet helemaal meegenomen naar Stockholm om zich op zijn vijftigste verjaardag van het leven te beroven? Kalmeer nu! Zei ze dat hardop? Haar vingertoppen, de vochtige kou als ze haar handen in haar schoot vouwt. Nu slapen ze waarschijnlijk. Allebei. In elk geval Lasse. Misschien dat Anita net doet alsof. Anita die altijd al zo bang is dat hen iets overkomt! Lieve God, laat Tomas terugkomen. Tegelijkertijd – de politie zou waarschijnlijk moeten lachen als Maj vannacht zou bellen. Hoor ’ns, misschien is-ie op je uitgekeken. Eigenlijk morgen pas, morgenochtend, kan ze hem als vermist opgeven. Dan moet ze contact opnemen met Ragna. Of het hotelpersoneel om hulp vragen. Zij kunnen ongetwijfeld het nummer van dokter Bjerre opzoeken. Hij zal daar toch niet in hypnose zijn gebleven… Als Tomas voor een tram is gestapt… zou men zijn identiteit dan niet aan de hand van zijn rijbewijs weten te achterhalen en contact opnemen met de familie in Örnsköldsvik en haar op die manier hier vinden… in het hotel? Maj komt overeind – ze heeft het koud zo vlak bij het raam – knipt de bureaulamp uit.
Dan loopt ze op de tast naar de badkamer. Ze plast in het donker. Wil haar gejaagde gezicht niet in de spiegel zien. Alleen vlug even haar mond spoelen met kraanwater, en een koude plens in haar gezicht. Ze trekt geen nachtjapon aan. Maar het is wel beter om even te gaan liggen, naast Anita in bed te schuiven ook al is het krap. Ook haar schoenen aanhouden? Hoe laat – bijna half twee. Wat zal Ragna zeggen als Tomas’ verjaardagsfeest morgen niet doorgaat? Hij zit in de kroeg te drinken. Hij ligt verdronken in het water van Strömmen. Hij...

Een postume hommage heb ik voor u, die het bijzondere leven van een onverwoestbare sportheld behelst. Het gaat om het 252 bladzijden tellende Dansen om te overleven van Steven Rosenfeld en van uitgeverij Cossee. Met de ondertitel ‘De oorlogsjaren van bokslegende Ben Bril’, met de opdracht ‘Ter nagedachtenis aan Ab Bril (1937-2015)’, met op de cover bokser Bril in afwachtende houding en met als oorspronkelijke titel ‘A Jewish Boxer’s Dance for Survival in a Nazi Prison’. Een van de vele verdiensten van Cossee is dat zij het thema van de Tweede Wereldoorlog - en dan vooral de Holocaust - al jaar en dag een plaats in haar fonds geeft. Zo mocht ik bij u recent introduceren De oorlog van mijn moeder van Vaël Vincks, Nu de angst is verdwenen van Monika Held, En de akker is de wereld van Dola de Jong en Charlotte van David Foenkison. Steeds trilde daar doorheen het leed de Joden door de nazi’s aangedaan. Ook Ben Bril durfde het aan als Jood in Europa geboren te worden en dat kwam ook hem duur te staan. De vloed aan publicaties over de rampzalige jaren 40-45 blijft voortduren, Alle generaties van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, dus uit de 20ste en 21ste eeuw hebben fictieve en non-fictieve berichten uit die verschrikkingen tot zich kunnen nemen. De Amerikaan Rosenfeld doet dat nu in meer dan dertig korte hoofdstukken die de veelzeggende titels dragen als ‘Op de vlucht’. ‘Als ratten in de val’, ‘Hollandsche Schouwburg’, ‘Op transport’, ‘Opgeroepen’ en ‘Gevecht met de kapo’.
Daar ik het vermoeden heb dat van de huidige generatie aan jeugdige lezers niet allen notie hebben van het bestaan van bokser Ben Bril geef ik nu de tekst op Wikipedia en die op de omslag. De volgende keer reik ik u de tekst aan van de Proloog en deels die van het eerste hoofdstuk. Mijn eerste kennismaking met het proza van Steven Rosenfeld gaf mij het besef een groot auteur ontmoet te hebben die een trieste en dieptreurige fase uit ons bestaan in treffend en prachtig proza weet te vatten.
Wikipedia: Barend (Ben) Bril (Amsterdam 16 juli 1912, – aldaar, 11 september 2003) was een Nederlands bokser van Joodse afkomst, die Nederland onder andere vertegenwoordigde bij de Olympische Zomerspelen van 1926. Hij werd geboren op de Valkenburgerstraat 108 in Amsterdam als zesde en één na laatste kind en groeide op in het hart van het armere gedeelte van de Jodenbuurt. Terwijl vader Bril handelde in vis, was Ben een echte straatvechter. Op elfjarige leeftijd bezocht hij met zijn oudste broer ‘De Jonge Bokser’ in de Wagenstraat, één van de bokstenten in Amsterdam. Hierna wilde Bril wilde bokser worden. Op straat vocht hij nu niet meer, omdat hij zijn energie alleen nog maar in het boksen stopte. De jonge Bril was bijzonder getalenteerd en behaalde in 1927, vijftien jaar jong, zijn eerste nationale titel. Bril was zestien jaar en een paar dagen toen hij in Amsterdam zijn Olympisch debuut maakte, de jongste Nederlandse Olympische bokser ooit, maar overall één van Nederlands jongste Olympiërs uit de geschiedenis. Hij kwam uit in het vlieggewicht (tot 50,8 kilogram) en reikte tot de kwartfinales, de laatste acht.
Zijn sportieve hoogtepunt beleefde Ben Bril evenwel in 1935, toen hij de gouden medaille won bij de Macciabade (Joodse Wereldspelen). Bril won achtmaal de Nederlandse titel in zijn gewichtsklasse. Hij weigerde echter deel te nemen aan de Olympische Zomerspelen 1936 in nazi-Duitsland , ook al was hij geselecteerd door het Nederlands Olympisch Comité. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Bril, samen met zijn vrouw en zoon, via de kampen Vught en Westerbork naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Het gezin overleefde de verschrikkingen, maar Brils glansrijke bokscarrière was voorbij. Pas jaren nadien zette Bril als scheidsrechter weer voet in de boksring en ontpopte hij zich als spreekbuis van en voor de Nederlandse bokssport. Bril was arbiter/ringrechter op meerdere Olympische Spelen, waar hij opviel door het bekritiseren van omstreden jurybeslissingen, met name in München en Montreal. Ook was hij arbiter bij het populaire NCRV -televisieprogramma ‘Spel zonder Grenzen’. Daarnaast baatte Bril met zijn echtgenote Celia een broodjeszaak (‘Beter belegde broodjes bij Ben Bril’) annex restaurant uit aan het Vredenburg in Utrecht. Ben Bril overleed op 91-jarige leeftijd in het Amsterdamse verpleeghuis ‘Beth Shalom’ en ligt begraven op de joodse begraafplaats in Muiderberg. Op 9 oktober 2006 verscheen zijn biografie Ben Bril. Davidsster als Ereteken geschreven door Ed van Opzeeland . Het eerste exemplaar werd door Erica Terpstra overhandigd aan zijn zoon Albert Bril. Sinds 2007 is er een ‘Ben Bril Memorial’ op de tweede maandag van oktober in theater Carré in Amsterdam. Deze memorial is in het leven geroepen door Martin Overste en Jan Lenten in samenwerking met de Nederlandse Boksbond.’ N.B. Ons boek vult het hierboven gezegde aan!
De omslag: ‘Boksen gaat voor Ben Bril niet om brute kracht; het is precisiewerk, bewegen om stoten te vermijden, toeslaan met snelheid en kracht. Een dans die je, in Bergen-Belsen, bij de kleinste misstap met de dood moet bekopen. Ze hadden het kunnen zien aankomen, Ben Bril, zijn vrouw Celia en hun zoontje Ab. Ze waren tenslotte al eerder verraden, in Utrecht, maar konden de twee jonge premiejagers toen nog afkopen met hun laatste spaargeld. Deze keer, ondergedoken boven Brils Amsterdamse broodjeszaak, is het nota bene de tijdelijke eigenaar van de winkel, een goede vriend van het gezin, die de bezetter inlicht over hun verblijfplaats. Al jaren voordat het joden verplicht werd, liet de trotse wereldkampioen Ben Bril zich fotograferen met een davidster op zijn bokstenue. Nu, in het Duitse vernietigingskamp, wordt zijn trots verdrongen door de noodzaak zijn vrouw en kind te beschermen. De pragmatische Bril weet dat elke bokser de regels respecteert, en dat het volgen van regels nodig is om te winnen. Dat is hoe hij vecht, dat is hoe hij leeft. Hij komt aan een baantje, klimt op tot Blockãlteste, geeft zich in de ring gewonnen aan Duitse bokshelden: hij speelt het spel mee. Zijn goede vriend en collega-bokser Appie de Vries begrijpt Brils keuze niet: dat baantje – de mannen wekken, ze naar de appelplaats brengen – is heulen met de vijand, ziet hij dat zelf niet? Waar precies is de scheidslijn tussen saboteren en meewerken, opgeven en doorzetten, standhouden en inbinden, in situaties waar de juiste keuze niet bestaat? Dansen om te overleven is een even spannend als meeslepend eerbetoon aan de Joodse bokser die met zijn eigen vuisten tegen de Duitsers vocht, en het achteraf kon navertellen.’

Een vademecum, een vraagbaak, een woordenschat, een gids, een leidraad, een handleiding en ook nog een zakboek, heb ik voor u. Het gaat om de 790 bladzijden tellende hardcover Spellingwijzer Onze Taal van het Genootschap Onze Taal in samenwerking met Wim Daniëls en van uitgeverij Unieboek Het Spectrum. De Woordenlijst waarom het natuurlijk begonnen is telt 670 bladzijden, van A4, AA, Aadorp, aaien en aalmoezenier tot zwingliaan, zymose, ZZO, zzp’er en ZZW.
Op woensdag 18 november doet zich het Groot Dictee Drechtsteden voor ik in het zalencomplex De Palm. Voor de tiende keer in successie zullen in de avond minnaars van de taal zich buigen over een taalproeve van de plaatselijke poëet Hans Verzijl dat voorgelezen wordt door de leraar Bert Lock ook uit eigen parochie. Het door de sectie Letteren van de Culturele Raad Papendrecht georganiseerde dictee mag zich al een decennium verheugen in dames en heren van zestien jaar en ouder die struikelblokken in de taal niet uit de weg gaan.
Als leidraad hanteert de CRP consequent de Woordenlijst Nederlandse Taal of het Groene Boekje van de Nederlandse Taalunie en de deelnemers aan het GDD weten dat vooraf. Zij kunnen zich dus niet beroepen op het ‘Witte Boekje’ dat de vroegere koosnaam is voor de Spellingwijzer Onze Taal anno 2015. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik als voorzitter van de jury GDD meer mogelijkheden qua spelling zou kunnen hanteren, want de Spellingwijzer is meer coulant maar niet minder principieel. De samenstellers van de Spellingwijzer zetten hun principes uiteen in de Inleiding die ik deels aan u doorgeef. Dat zij zich aan spelregels houden blijkt hieruit dat zij hun handboek besluiten met de Spellingregels.
Van Algemene regels, Klinkers, Medeklinkers, Accenttekens en Trema tot Streepjes, Tussenletters, Vervoegingen – Verbuigingen, Afkortingen en Afbreken. Ik zal met mij medejuryleden Frans Spaanstra en Konrad Jenner gaan adviseren aan de CRP om de Spellingwijzer als leidraad in 2016. Want wat souplesse maakt spelling sympathieker! Nu de tekst op de cover en dan het beloofde citaat.
De uitgever:’ Deze Spellingwijzer Onze Taal van Prisma, Genootschap Onze Taal en Wim Daniëls (voorheen het Witte Boekje) is een praktische spellinggids. Je vindt er veel woordvormen in, veel moeilijke woorden en bovendien veel geografische namen en eigennamen. In de Spellingwijzer staan alle trefwoorden en woordvormen in de officiële spelling, met een verwijzing naar de relevante spellingregels, zodat je kunt opzoeken waarom dat woord nu net op díé manier gespeld wordt. Wim Daniëls en de adviseurs van Onze Taal leggen alle regels van de spelling helder en gebruikersvriendelijk uit.
De Spellingwijzer biedt - in de traditie van het Witte Boekje - ook alternatieve spellingsvormen die beter aansluiten bij het taalgevoel van de meeste taalgebruikers. -circa 70.000 woorden -heldere, vriendelijke uitleg van de spellingregels -extra aandacht voor de moeilijke combinaties met namen, cijfers en afkortingen, zoals IenM en 125cc-klasse -verwijzingen van de woordenlijst naar de spellingregels -duizenden namen, van Moszkowicz tot Tsjaikovski, en van Typhoon tot WhatsAPP ‘
Deels de Inleiding: ‘De Spellingwijzer Onze Taal is een spellinggids voor het Nederlands. In dit boek vindt u zo’n 70.000 lastig te spellen woorden en namen. Daarnaast worden de Nederlandse spellingregels duidelijk beschreven, met veel voorbeelden. Dit maakt de Spellingwijzer Onze Taal bijzonder: – Bij veel woorden staan voorbeelden van hoe je ze gebruikt in een samenstelling, woordgroep of zinnetje. – Bij elk woord wordt verwezen naar een of meer van de regels achter in het boek die uitleg geven over de spelling van het woord. – De woordenlijst geeft duizenden lastig te spellen eigennamen (en voorbeelden van samenstellingen met en afleidingen van die namen). – Sommige woorden kunnen op meer dan één manier gespeld worden; de varianten zijn steeds aangegeven. Naast officiële vormen en varianten geeft dit boek bij een aantal woorden ook een alternatieve schrijfwijze. – De woorden zijn geselecteerd op hun moeilijkheid: makkelijke woorden ontbreken, zodat er meer ruimte is voor woorden die in de praktijk voor problemen zorgen.
Nieuw in de Spellingwijzer Ten opzichte van de voorgangers van dit boek (de Spellingwijzer Onze Taal en het Witte Boekje) zijn dit de belangrijkste vernieuwingen: – Er zijn duizenden woorden, namen, afleidingen en samenstellingen toegevoegd, zoals 3D-printen, açaibes, bff, cacciucco, deradicaliseren, dm’en, door de week, erbij inschieten, genderdysfoor, grexit, Instagramaccount, Lil’ Kleine, lng-station, mooc, Nasrdin Dchar, Netflixserie, PDD-NOS, peshmerga, polyamorie, prakticabel, quinoa, rawfoodie, spritz, tech-industrie, TTIP, terugappen, vind-ik-leuken en zoek-en-vervang. – Er staan in de woordenlijst nog meer voorbeelden van het juiste gebruik van woorden, zoals plan B bij plan, de gezouten vis bij het werkwoord zouten en zoveel te meer bij te meer én bij zoveel. – De Spellingwijzer is vanaf nu ook online te raadplegen via www.spellingsite.nu. – De woordenlijst en de spellingregels gaan uit van de officiële spelling en geven daarnaast soms alternatieve regels en vormen. Die alternatieven worden apart gemarkeerd.
Officiële spelling met alternatieven De overheid en het onderwijs moeten de officiële spelling gebruiken, zoals die is vastgesteld door de Nederlandse Taalunie. Buiten de overheid en het onderwijs hoeft niemand die regels te volgen, maar veel mensen vinden regels die houvast en eenheid bieden wel prettig. De Spellingwijzer bedient beide doelgroepen. Bij het Genootschap Onze Taal merken we in ons dagelijks advieswerk dat sommige officiële regels niet erg begrijpelijk zijn en onlogische, inconsequente schrijfwijzen kunnen opleveren of verdedigbare vormen uitsluiten. Daarom biedt dit boek de gebruiker in een aantal van die gevallen meer vrijheid. In de woordenlijst staan naast de officieel gespelde woorden ook vormen waarvan wij dagelijks merken dat veel mensen ze beter vinden en die vaak ook in gebruik zijn bij diverse landelijke media. Ze worden met alt gemarkeerd; in de spellingregels staan de bijbehorende regels onder het kopje ‘Alternatief’. Dit zijn de belangrijkste alternatieven die de Spellingwijzer naast de officiële regels en vormen geeft: – een extra apostrof in de bezitsvorm: Annie’s tuin – bij meer feestdagnamen hoofdletters: Eerste Kerstdag, Oud en Nieuw, Dierendag – een streepje in plaats van een spatie in woorden als 1-aprilgrap – wel of geen tussen-n als dat logischer lijkt: secondenlang, kattekop – een dubbele medeklinker in Engelse werkwoorden: chillde, gestresst – -le- in plaats van -el- in Engelse werkwoorden: gegoogled Verder maakt de Spellingwijzer Onze Taal gebruik van de variatie die de officiële regels toestaan in het gebruik van spaties, streepjes en hoofdletters. Dit boek geeft bijvoorbeeld half uur naast halfuur, ja-woord naast jawoord, Middeleeuwen naast middeleeuwen en usb naast USB.’

Een schrijnend relaas aan, een brute werkelijkheid ontleend, heb ik voor u. Een bizar verslag van het leed de Joodse burgers in 40-45 door de nazi’s berokkend. Het gaat om de 216 bladzijden tellende, doorlopend authentiek geïllustreerde hardcover De Beethovenstraat van Frank van Kolfschooten en van uitgeverij De Kring. Met als ondertitel ‘Verborgen geschiedenissen’, met de opdracht ‘Voor Hannah en Mirjam’ en met op de omslag een foto van de gewraakte straat uit 1930. Ik haast mij te zeggen dat dit bericht uit de samenleving niet louter gebaseerd is op de gruwelen van de Holocaust die zich vooral in Amsterdam en Westerbork voordeden. De titels van het eerste en laatste hoofdstuk geven dit aan, want die gaan als ‘De bouwgeschiedenis’ en ‘Een nieuw eeuw’. Daartussen liggen o.a. de chapiters ‘De ‘Brede Jodenstraat’. ‘Oorlog: het lot van de Joden’, ‘Oorlog: verzet en hongerwinter’ en ‘Bevrijding en zuivering’. U verstaat het: de Beethovenstraat werd voor de grap voor de oorlog de ‘Brede Jodenstraat’ genoemd, naar analogie met de Jodenbreestraat. In de Inleiding, die ik deels integraal aan u doorgeef, geeft Van Kolfschooten zijn geloofsbrief af. Een alinea daarvan trof mij zeer, want die verhaalt over het gezin Katz dat vanwege anti-joodse maatregelen diende te verhuizen van het ruime appartement op Beethovenstraat 114-2 naar een kleinere woning om de hoek, op Stadionweg 55-2. Vader Katz was directeur van zijn verzekeringsbedrijf VZVZ maar de bezetters stelde een Verwalter aan die al gauw al het joodse personeel ontsloeg. Toen in juni 1941 een bom ontplofte bij de telefooncentrale van de Luftwaffe op Schiphol besloten de Duitsers represailles te nemen, al wisten ze niet wie de daders waren. Zij arresteerden op straat ongeveer honderd joodse mannen en zoon Paul Katz werd thuis bij zijn ouders weggehaald, Een maand later kregen zijn ouders het bericht dat hun zoon in het kamp Mauthausen was overleden. De doodsoorzaak kregen zij niet te horen. Ik geef u nu door een citaat van blz. 69-70.
‘De Beethovenstraat werd door de jodendeportaties leger en leger, al kwamen in hun huizen op den duur wel nieuwe bewoners, vaak NSB’ers. De sfeer op straat veranderde vooral door het verdwijnen van een groot aantal joodse kinderen. ‘Ik weet nog, de weekends, dan speelde ik heel veel op straat of ging met mijn vriendinnen weg. Ik was nooit thuis. Nadat de joden zijn weggehaald uit deze buurt ging ik de straat niet meer op. Ik had geen vriendinnetjes meer. Ik zat thuis en ging nergens meer naar toe. Mijn moeder werd daar gek van. Zij zei steeds, als ik weer zo’n weekend thuis zat; ga nou toch, ga nou toch. En ik wou niet. Dat heeft een hele tijd geduurd. Ik miste ze zo verschrikkelijk dat ik niets meer wou.,’ zei een vrouw die in de oorlog opgroeide in de Beethovenstraat tegen Adriaan Venema. Op zondag 20 juni 1943 vond een grote razzia plaats in Amsterdam-Zuid en Oost. Het tramverkeer was stilgelegd en er gold een verbod om de stad te verlaten. In de wijk reden omroepwagens van de Grüne Polizei rond met de verordening: ‘De Joden moeten zich voor onmiddellijk vertrek gereed houden en de andere bewoners mogen zich niet op straat begeven.’ Er vond huis aan huis onderzoek plaats en de persoonsbewijzen werden gecontroleerd. In totaal werden bij die razzia 5.500 joden afgevoerd naar Westerbork. Ook Wilhelm en Ida Katz werden die dag uit hun huis aan de Stadionweg gehaald en naar de sportvelden op het Olympiaplein gedreven die als verzamelplaats dienden. Hun dochter Ruth woonde niet meer thuis, voor hadden zij een onderduikadres weten te regelen. Eenmaal in Westerbork bereikte hun de onheilstijding dat Ruth was opgepakt, naar een concentratiekamp was gedeporteerd en daar was vermoord. Na dit hartverscheurende bericht dat de nazi’s ook hun tweede kind hadden omgebracht, maakten Wilhel mem Ida Katz op 6 juli 1943 een einde aan hun leven. De kampleiding liet het echtpaar cremeren en bewaarde hun as, Het bericht over Ruths dood was echter onjuist. Zij overleefde de oorlog op haar onderduikadres. Na de oorlog liet zij de as van haar ouders bijzetten op de joodse begraafplaats in Diemen.’
Heel verheven en verheffend vind ik het dat Frank van Kolfschooten in zijn boek een postuum eerbetoon betuigt aan de medeburgers die ooit de Beethovenstraat bewoonden en die het volgens de nazi’s het aangedurfd als Jood geboren te worden. Een paar weken terug had ik het met u over Charlotte van David Foenkison en over Dansen om te overleven van Steven Rosenfeld. Kunstenares Salomon en bokser Bril worden in die boeken belicht.
In De Beethovenstraat treedt een grote groep Joden voor het voetlicht die gedoemd waren in de duisternis te verdwijnen. De alinea uit de Inleiding die mij trof: ‘Een bijzondere ontdekking was dat ook mijn eigen huis een bewogen verborgen geschiedenis kende. Daar woonde tussen 1934 en 1941 de Duits-joodse familie Katz, van wie alleen de dochter Ruth de oorlog overleefde. Ik kreeg contact met Ruths dochter Ellen. Op 4 mei 2013 nam ik deel aan de Open Joodse Huizen Dag en ontving een grote groep belangstellenden in mijn achterkamer, die zich nog n authentieke staat bevindt en waar met enig inlevingsvermogen het verleden voelbaar is. Ik vertelde over de buurt in oorlogstijd en over de wederwaardigheden van de familie Katz, daarbij geholpen door Ellen, die foto’s uit de nalatenschap van haar moeder had meegenomen, waaronder beelden van kinderen van de joodse crèche. Deze aangrijpende foto’s en het hartverscheurende verhaal van de familie Katz maakten diepe indruk op de aanwezigen.’ Naar de foto op blz. 90 met daarop Wilhelm en Ida Katz bleef ik kijken. Dankzij Frank van Kolfschooten blijven zij in the picture.
Inleiding :‘Bouwmeester H.P. Berlage had de Beethovenstraat geen bijzondere plaats toebedeeld in zijn ontwerp van 1917 voor Plan Zuid, de stadsuitbreiding ten zuiden van Amsterdam. De rol van winkelboulevard met grootstedelijke grandeur had hij gegeven aan de naastgelegen Minervalaan. Door omstandigheden die Berlage niet kon voorzien, werd de Beethovenstraat na de oplevering eind jaren twintig evenwel de belangrijkste winkelstraat in het nieuwe stadsdeel.
Middenstanders wilden zich hier al snel zo graag vestigen dat huiseigenaren woonhuizen lieten verbouwen tot winkels, zelfs in crisistijd. Anno 2015 is de Beethovenstraat nog altijd een geliefde locatie voor winkels. Aan de vooroorlogse jaren herinneren alleen nog enkele hoogbejaarde dames die met Duitse accenten in de winkels hun bestellingen doen. Zij zijn de laatste overlevenden van de enclave van Duits-joodse vluchtelingen die zich na 1933 in en rond de Beethovenstraat vestigden en die de buurt, waar toen ook veel Nederlandse joden woonden, een joods karakter gaven. Tijdens de bezettingsjaren coördineerden de nazi’s vanuit twee panden in de buurt de jodendeportaties en de bestrijding van het verzet. Deze periode heeft een diep spoor getrokken door het Beethovenkwartier. Naoorlogse literaire werken die zich in de Beethovenstraat afspelen, ademen een sfeer van treurnis, eenzaamheid, ziekte en dood. De straat komt er vooral uit naar voren als een tragische straat. Wie de geschiedenis niet kent zal dat niet begrijpen. Dit boek gaat daarom voor een belangrijk deel over de lotgevallen van Duitse en Nederlandse joden die voor de oorlog in en rond de Beethovenstraat woonden. Ik heb hun geschiedenissen en de toedracht van een aantal ingrijpende gebeurtenissen uit de oorlogsjaren gereconstrueerd met behulp van ooggetuigenverslagen, archiefonderzoek en gesprekken met (oud-)bewoners en (oud-)winkeliers. Ruime aandacht besteed ik ook aan de opkomst en ondergang van de Beethovenstraat als delicatessenstraat in de jaren zestig en zeventig. De faam van de winkels met exquise etenswaren uit binnen- en buitenland, reikte toen tot ver buiten de stadsgrenzen. Door stijgende huren en toegenomen concurrentie van supermarkten moesten steeds meer middenstanders het veld ruimen voor doorsnee winkelketens. Deze verandering schets ik aan de hand van een aantal winkels die vanaf het eerste uur in de straat hebben gezeten, en van ouder op kind zijn overgegaan.
Het boek eindigt met de meest recente ruimtelijke ontwikkelingen in Amsterdam-Zuid en Buitenveldert (Zuidas), waarbij de Beethovenstraat is doorgetrokken tot de grens met Buitenveldert. Planologen beloven de Beethovenstraat een gouden toekomst als Station Zuid een steeds belangrijker toegangspoort wordt tot Amsterdam en snelweg en spoor in het ‘Zuidasdok’ ondergronds verdwijnen. De Beethovenstraat, altijd al de koningin van Plan Zuid, kan zich dan ontwikkelen tot een winkelboulevard met internationale allure. Dat Zuidasdok is op zijn vroegst in 2028 klaar, áls het er al komt. Vooralsnog kampt het winkeldeel van de straat met een imagoprobleem en is nog aan het bekomen van de klappen van de laatste economische crisis.
Mijn eigen eerste kennismaking met de straat stamt uit 1977, het jaar waarin ik naar Amsterdam verhuisde. Een vriend trakteerde me toen op koffie met appeltaart in het sjieke café-restaurant Henri Smits, waar ik me niet helemaal op mijn plaats voelde in mijn slordige
studentenkloffie. In 1992 kwam ik in de straat te wonen op nr. 116-2 hoog. Ik raakte gefascineerd door de oudere dames met accenten die ik tegenkwam op straat en in winkels en hoorde ook steeds meer buurtverhalen die met de oorlog te maken hadden. Op basis van vele gesprekken met buurtbewoners en archief- en literatuuronderzoek publiceerde ik in 1997 de eerste, beknopte versie van dit boek onder de titel De Koningin van Plan Zuid. In 2000 verhuisde ik binnen hetzelfde gebouw naar een groter appartement op nr. 114-2. Ik bleef me verdiepen in de geschiedenis van de straat. Ik deed archiefonderzoek, en dankzij de veel betere zoekmogelijkheden via internet vond ik bovendien diverse mij onbekende krantenartikelen over gebeurtenissen in de straat en over bewoners. Ook werd ik door de jaren heen uit binnen- en buitenland geregeld benaderd door (oud-)bewoners of familie van hen, die mij nieuwe verhalen vertelden.’