Piet Kaptein’s Cultuurmix

10-04-2017

DE ONDERKONING VAN INDIE

 

U weet het van mij al jaar en dag: ik houd van fictie en non-fictie, op voorwaarden dan dat de genres in tintelende, literaire taal verpakt zijn. Daarnaast bemin ik ook het genre ‘faction’ waarbij het deels om een bedachte wereld en deels om realiteit gaat. Een boek van dit kaliber leg ik nu voor u neer. Het gaat om de 396 bladzijden tellende thriller in paperback De onderkoning van Indië van Tomas Ross en van uitgeverij Cargo. Eigenlijk is de beste aanprijzing voor dit boek dat het onlangs het licht mocht zien, dat het er is, dat het op u ligt te wachten. De schrijver zelf immers maakt vanaf 1980 in onze rubriek zijn opwachting. En hoe enthousiast mochten u en ik zijn over bestsellers van Ross als De honden van het verraadHet verraad van ‘42Wachters voor WilhelminaDe klokkenluiderDe Tranen van Mata Hari en Onze vrouw in Tripoli. Nu is daar De onderkoning van Indië, de thriller die van meet af aan het begrip van ‘faction’ etaleert. Ik toon u dit aan door de proloog en de eerste drie Ross-pagina’s aan te reiken, maar die laat ik voorafgaan door de tekst van Cargo op de omslag. Na lezing van ‘mijn’ onderstaande stukken bent u op weg om het zoveelste Ross-boek aan te schaffen. Want de man met geboortejaar 1944 blijft van zich spreken door voor ware suspense met couleur locale te zorgen!

De omslag: ‘In het voorjaar van 1947 lopen de spanningen tussen Nederland en de jonge Republik Indonesia ongekend hoog op. Een groep verontruste vaderlanders ontwikkelt in het diepste geheim plannen om Nederlands-Indië te behouden en een oorlog te voorkomen. Vanuit Batavia arriveert de Nederlandse communist Henry Meertens in Den Haag, met een fortuin aan gestolen juwelen. Zijn missie: een huurlingenleger op poten zetten om de macht in Indië over te nemen en er een communistisch regime te vestigen voordat Nederland aanvalt. Wanneer een geheim agent uit Indië in Den Haag spoorloos verdwijnt, besluit vicepremier Willem Drees actie te ondernemen. Voormalig inlichtingenofficier Arnie Springer krijgt een gecodeerd morsebericht te horen waarin sprake is van iemand die ‘de onderkoning’ wordt genoemd. Een stripteasedanseres in een louche Amsterdamse nachtclub brengt Springer op het spoor van Meertens en een schimmige wapenhandelaar met de schuilnaam Ali Baba. In een zenuwslopende race tegen de klok moet Springer een samenzwering met wereldwijde repercussies zien te voorkomen.

Tomas Ross met de proloog: ‘Op 17 augustus 1945 riep Soekarno als eerste president de onafhankelijke Republik Indonesia uit. Twee dagen eerder had Japan gecapituleerd, maar de Japanse troepen waren nog steeds in Nederlands-Indië en de situatie was chaotisch bij gebrek aan een centraal gezag. Britse soldaten, Nederlandse militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (knil), Indonesische guerrillastrijders, Javaanse gangsters, Chinese wapensmokkelaars en opiumhandelaren, Japanse deserteurs; ieder kon ongestraft zijn gang gaan in een periode die wel wordt aangeduid als die van de drie C’s: Corruptie, Chantage en Connecties. In het Centrale Pandhuis in Batavia (Jakarta) lag op dat moment voor miljoenen aan in beslag genomen goud, zilver, juwelen en sieraden van Indonesiërs, Nederlands-Indiërs en Nederlanders. Rond 20 augustus werden koffers en manden vol kostbaarheden opgehaald door kapitein Hiroshi Nakamura. Veel van deze zogenoemde Schat van Nakamura is sindsdien verdwenen en tot op de dag van vandaag voor een groot deel spoorloos. Het staat vast dat niet alleen Nakamura maar ook Chinezen, Indonesische vrijheidsstrijders en zelfs Nederlandse en Britse militairen daarbij een duistere rol hebben gespeeld. Speculaties te over. De Japanners zouden er de Indonesische vrijheidsstrijd mee hebben gefinancierd, maar ook de beruchte kapitein Raymond Westerling zou ervan hebben geprofiteerd om enkele jaren later een staatsgreep op Java te kunnen plegen. Hoe dan ook, bewijzen zijn er niet (meer), documenten gingen verloren of werden vernietigd en de zaak verdween in de doofpot. Zie voor een uitvoerig verslag Peter Schumachers Een bende op Java (2005). Een van de beste Nederlandse misdaadromans ooit, Parels voor Nadra van Joop van der Broek (1953), is gebaseerd op deze roof van de Schat van Nakamura.

Tomas Ross met het verhaal zelf: ‘‘Si Poetih!’ zei Ronnie Gunawan. ‘In de betjak bij het laatste kraampje.’ Onwillekeurig fluisterde hij, hoewel de soldaten buiten gehoorsafstand waren. Vanachter het stuur zag Anke een lange blanke man uit het fietskarretje stappen. Hij droeg een blauw tropenpak maar opvallender was zijn lichtblonde, bijna witte haar. Hij gaf de betjakrijder wat geld en liep tussen de marktkraampjes in de richting van het hotel. ‘Oké,’ fluisterde Ronnie, ‘je weet wat je moet zeggen als ze naar me vragen.’ Anke knikte. ‘Wees in godsnaam voorzichtig.’ ‘Altijd,’ zei Ronnie en pakte de Leica. ‘Ik zie je zo bij het badhuisje.’ Anke keek hem na, een slanke Soendanees op blote voeten en gekleed in een wijde driekwartbroek en een kleurig jakje. Om zijn hoofd droeg hij de door de adat voorgeschreven hoofddoek. Hij liep wat gebogen naar het stoffige weggetje dat naar de ruïne van de tempel op de helling van de vulkaan leidde, en neigde zijn hoofd onderdanig toen hij twee soldaten van het Republikeinse leger passeerde. Ronnie Gunawan, die doorgaans een modieus westers kostuum en glanzend gepoetste molières droeg. Een man die onder andere omstandigheden Soekarno’s soldaten had gedood. De man van wie ze hartstochtelijk had gehouden en dat nóg deed. Maar ze waren niet in Batavia maar in het grensgebied van de Republik Indonesia en het Nederlands territorium op Java. En het was maar de vraag of hij nog van haar hield. Hij verdween achter de bomen en ze wist dat hij daar het paadje naar de botanische tuin van het hotel zou nemen. Ze startte, trok op, ontweek een troep kakelende kippen en stuurde de jeep naar het badhuisje. Ze zweette na de lange tocht uit Batavia maar zou zich voor geen goud willen wassen in het drabberige water van de poel waarin een jonge inlandse met twee kinderen zwom. Bij een reusachtige waringinboom zat een soldaat op zijn hurken en at met zijn vingers uit een roestig blikje. Hij had zijn geweer rechtop tegen de stam gezet. Een Lee Enfield volgens Ronnie. ‘Misschien wel van die arme sodemieter.’

Ze huiverde en niet alleen vanwege de koele bergwind. Onderweg hadden ze langs de weg het lijk van een militair van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger met zijn afgehakte penis in zijn mond zien liggen. Een blonde jongen, als afval voor de gieren. Naakt, met doorgesneden keel, nog bloedend. ‘De bangsat bangsat trekken de uniformen van het KNIL aan zodat ze ons makkelijker kunnen doden.’ Bangsat bangsat. Schoften. Het omgekeerde gebeurde ook, inlanders die bij het KNIL dienden en zich vermomden als soldaten van de TNI, de Tentara Nasional Indonesia, de troepenmacht van Soekarno. Ronnie Gunawan was een Javaan, net als de soldaten die de jongen hadden vermoord. Hij had de penis teruggelegd tussen de benen en vervolgens stenen op het lichaam gestapeld. Anke tuurde naar het hotel schuin tegenover haar maar de man in het tropenpak was verdwenen. Si Poetih. De Witte. Een communist. Ronnie kende zijn echte naam niet maar dacht dat hij een deserteur van het KNIL was. Meer had hij haar niet verteld. ‘Hoe minder je weet, hoe beter.’ Dat zei hij wel vaker. Bij de ingang van het hotel wapperde de rood-witte vlag van de Republik. Erboven hing een kolossaal spandoek met de tekst ‘Merdekahotel – Liberty is the right of every nation!’. Maar op het pannendak van het hotel tussen de palmen stond ‘Oranjehotel’. Links en rechts van het gesloten toegangshek liepen twee gewapende schildwachten heen en weer. De soldaat bij de boom was overeind gekomen en kwam met het geweer naar haar toe. Hij had zijn lange zwarte haar met een kleurige doek opgebonden. Zijn witte uniformjasje hing open tot op zijn navel. Op zijn borst schemerde een langwerpig litteken. Hij had een bol gezicht met een vlassig snorretje en twee pikzwarte ogen die brutaal naar haar borsten loerden. Op zijn borstzak was het roodwitte embleem van de Republik gestikt met de mythologische vogel Garoeda. ‘Siapakah anda dan apa yang anda lakukan di sini?’ Anke schudde haar hoofd hoewel ze vloeiend Maleis sprak en begreep dat hij vroeg wie ze was en wat ze hier deed. ‘Ik ben op doorreis naar Serang,’ zei ze in het Nederlands. Ze was er zeker van dat hij haar verstond. ‘Ik kwam hier vroeger als meisje met mijn ouders in de tuin en het hotel.’ Hij keek naar de Ford V8. Ze was ervan overtuigd dat hij allang het nummerbord met de B van Batavia had gezien. En Ronnie. ‘Anda tidak boleh berada di sini!’ Ze mocht hier niet zijn. ‘Wat?’ ‘U mag hier niet komen.’ Ze zei: ‘Ik weet dat ik in de Republik ben maar ik heb toestemming van de president.’ Hij grijnsde ongelovig en spoog een straal donkerrood sirih-sap uit. ‘Bung Karno? Mengapa?’ ‘Omdat ik hier kunst koop. En president Soekarno me goed kent.’ ‘Kunst? Wat voor kunst?’ Een andere soldaat kwam aangelopen. Een oudere officier in een onberispelijk uniform die Ronnie en haar had gecontroleerd toen ze het dorpje binnenreden. Hij groette haar in het Nederlands maar vroeg in het Maleis aan de ander wat er was.’
 

DE ONDERKONING VAN INDIE

EEN ONBERISPELIJKE MAN

 

Ik wil u de entree van een roman laten horen die in de maarteditie van het Boekenpanel in "De Wereld Draait Door" tot Boek van de Maand uitgeroepen werd. Ik ga aan u ten gehore brengen en aan u voorleggen de eerste drie bladzijden – na de proloog - die van de hand zijn van een grande dame van Engelse huize. Het gaat om de 320 bladzijden tellende hardcover Een onberispelijke man van Jane Gardam en van uitgeverij Cossee. DWDD-man Matthijs van Nieuwkerk moest in de uitzending opbiechten dat hij van Jane Gardam tot voor kort geen werk tot zich genomen had. Dat hij nu wel om moet zijn zal ik u straks illustreren door mijn citaat dat de slogan ‘een nieuwe lente een nieuw geluid’ wederom waar maakt. Om u de bagage voor de ontmoeting met een groot schrijfster aan te reiken reik ik u de tekst van de Athenaeum-site aan en Gardams personalia zoals die door Cossee verwoord zijn. U en ik staan aan de meet voor de ontdekkingsreis naar een grande dame, naar een groot auteur.

De site: ‘Alles aan Edward Feathers is vlekkeloos - zijn garderobe, zijn manieren, zijn naam en faam als topadvocaat met een glansrijke carrière in Hongkong. Door en door een gentleman, die zijn bijnaam Old Filth - Failed In London, Try Hongkong - geen eer aandoet. Maar zijn onberispelijkheid is bedrieglijk en misleidt vaak ook hemzelf. Na de dood van zijn geliefde Betty, zijn echtgenote, lijkt hij onverstoorbaar en koestert hij zijn herinneringen aan haar. Maar met de herinneringen komen ook de twijfels. Waarom heeft zij zijn collega en tegenpool Terence Veneering altijd verdedigd, of tenminste nooit een kwaad woord over hem gesproken? Wat in hun huwelijk was respect, wat genegenheid en wat onvoorwaardelijke liefde? Wat hebben zij voor elkaar verborgen willen houden? Edward heeft moeite het beeld van Betty helder te krijgen. Op een koude Engelse winterdag sluit hij zichzelf per ongeluk buiten en staat in zijn sloffen op het besneeuwde tuinpad. Noodgedwongen belt hij aan bij de nieuwe buurman: Veneering. Iemand die, voelt Edward, meer van Betty weet dan goed is voor zijn zielenrust en liefdevolle herinneringen. Met groot stilistisch meesterschap ontvouwt Jane Gardam een bewogen leven in tijden van het ondergaande British Empire. Haar roman over Edward Feathers, een meester in het verbergen van zijn teleurstellingen, obsessies en tekortkomingen, illustreert wat zo belangrijk is in ons leven: empathie en integriteit. Met Een onberispelijke man valt een grote auteur te ontdekken, een meester van de lichte toon en de zinderende sfeer, van de grote Gesellschaftsroman in tijden van diepgaande veranderingen.’

Cossee: ‘Jane Gardam (Yorkshire, 1928) is de enige schrijver die twee keer met de Whitbread/Costa Award bekroond is. Met Een onberispelijke man staat ze inmiddels al meer dan een jaar op de bestsellerlijst in Duitsland. Haar oeuvre omvat meer dan dertig boeken, romans, verhalen en kinderboeken. Ze is Fellow van de Royal Society of Literature en woont in East Kent. ‘Jane Gardams boeken behoren tot de grote schatten van de Engelse literatuur. Ze schrijft simpelweg schitterend. De lezers mogen blij zijn en zich op prachtige boeken en een groot leesplezier verheugen.’ – Ian McEwan. ‘Scherpzinnig, van een warme menselijkheid, en echt grappig. Een van onze allerbeste schrijvers!’ – Hilary Mantel.
Jane Gardam: ‘De Donheads - Hij was ontzettend schoon. Je zou het zelfs opzichtig schoon kunnen noemen. Zijn stokoude nagels waren hagelwit omrand. De weinige nog steeds goudkleurige haartjes onder zijn knokkels zagen er altijd frisgewassen uit, net als zijn krullerige, nog steeds bronzen haar. Zijn schoenen glommen als kastanjes. Zijn kleding was altijd vers gestreken. Hij bezat de elegantie van de jaren twintig, want zijn kleding, hoe die er vooraf ook uitzag, stond hem altijd goed. Altijd een victoriaanse zijden zakdoek in zijn borstzakje. Altijd gele katoenen of zijden sokken van Harrods, en een paar onverslijtbare uit zijn tijd in het Verre Oosten. Zijn huid zag er gaaf en, bij slecht licht, jong uit. Zijn collega-juristen noemden hem Filth, maar dat was niet ironisch bedoeld. Het was omdat ze dachten dat de oude grap van hemzelf afkomstig was: Failed In London Try Hong Kong. Er werd gezegd dat hij net na de oorlog, heel jong, heel arm, in een plotselinge opwelling de Londense advocatuur was ontvlucht, en dat hij van meet af aan enorm succesvol was geweest in Hongkong. Omdat hij een bescheiden man was, zo zei men, had hij zichzelf een parvenu, een oplichter, een losbol genoemd.

In werkelijkheid was Filth geen grappenmaker, was hij helemaal niet bescheiden over zijn werk en deed hij zelden, alleen in uiterste nood, iets in een opwelling. Hij was echter geliefd, bewonderd, iemand naar wie men vriendelijk glimlachte en over wie vele jaren na zijn pensionering nog vaak werd gepraat. Nu, bijna tachtig, woonde hij in zijn eentje in Dorset. Zijn vrouw Betty was dood, maar hij mompelde nog vaak tegen haar terwijl hij door het huis struinde. Verrassend genoeg, gezien zijn hoge leeftijd, was zijn krullerige haar nog steeds niet grijs. Met zijn alerte ogen en geest was hij een geweldige man. Zo had men hem altijd gezien. Een man wiens achtenswaardige leven rustig en gelukkig was verlopen. Er hing geen oudemannenlucht in zijn huis. Hij was rijk en nam voor lief dat zijn woning (en hijzelf) zoals altijd werden schoongehouden, gevoed en gewassen door bedienden. Hij wist hoe hij met bedienden moest omgaan en ze bleven jarenlang bij hem. Betty had ook goed overweg gekund met bedienden. Zowel zij als Old Filth was geboren in wat Amerikanen ‘De Oriënt’ en de Britse Raj ‘Het Verre Oosten’ hadden genoemd. Hoewel ze zich bewust waren van hun positie, waren ze ongekunsteld en populair.

Na Betty’s dood verdween Filths zelfspot. Zijn leven stortte in. Hij werd zwaarwichtiger. Hij begon, aanvankelijk langzaam, vensters op het verleden te openen, vensters die hij, als verstandig man met verstandige en erudiete vrienden (hij droeg de titel Queen’s Counseln was rechter geweest), stevig dicht had gehouden. Zijn succes als advocaat in Hongkong was fenomenaal geweest dankzij zijn ongedwongenheid, kennis van zaken, toewijding en flair. Zijn carrière was in een stroomversnelling geraakt vanaf het moment dat de Peranakan-Chinezen zijn hulp hadden ingeroepen. Niet alleen omdat er flarden van de Aziatische talen uit zijn jeugd in Brits-Maleisië waren bovengekomen, maar ook vanwege zijn affiniteit met de Aziatische denkwijze. Als Old Filth Maleis of (minder vloeiend) Mandarijn sprak, hoorde je een onvermoede stem. Chinese, Maleise en Bengaalse advocaten werden – hoewel vaak opgeleid in Oxford en de Inns of Court – gezien als onoprecht, maar Filth, nu Old Filth en na zijn pensionering vaak Dear Old Filth, had hen bijzonder oprecht gevonden, en zeer naar zijn smaak. Hij had zijn hele leven waardering gekoesterd voor de Chinese waarden: de voorkomendheid, de onverwachte uitval, de heilige gastvrijheid, het genot dat Chinezen schiepen in geld, de vormelijkheid, het belang dat ze hechtten aan eten, de discretie, de gewiekstheid. Hij was getrouwd met een Schotse, maar ze was geboren in Peking. Ze was robuust en degelijk, met de strenge schouders van Lanarkshire en korte, brede handen, maar ze sprak perfect Mandarijn en voelde een vertrouwdheid met de Chinese manieren en taal die ze nooit ervoer tijdens haar zeldzame bezoeken aan Schotland. Haar passie voor sieraden was Chinees en ze rommelde met haar sterke Schotse vingers door de bakken met jade op de markten van Kowloon, zodat de stenen klikten als kiezels op het strand. ‘Als je dat doet,’ zei Old Filth dan – toen ze jong waren en hij zich nog voortdurend van haar bewust was – ‘zijn je ogen amandelvormig.’ ‘Arme Betty,’ zei hij tegen haar geest, tegenover hem in een andere fauteuil in het huis in Dorset waar ze zich na zijn pensionering hadden teruggetrokken, en waar ze was gestorven. En waarom in hemelsnaam Dorset? Dat wist geen mens. Wellicht een of andere familietraditie. Filth zei dat het was omdat hij een hekel had aan elke andere plek in Engeland, Betty omdat ze de kou voelde in Schotland. Ze stonden beiden afkeurend tegenover Wales. Maar als er twee mensen gemaakt waren om gepensioneerde expats in Hongkong te worden, leden van de Cricket Club, de Jockey Club, trouwe ondersteuners van de English Lending Library, vaste bezoekers van St Andrew’s Church en St John’s Cathedral, waren het Filth en Betty. Mensen die zich altijd bedienden zouden kunnen veroorloven (Filth was erg rijk), die in een huis op The Peak zouden wonen, altijd gastvrij zouden zijn voor elke vriend van een vriend van een vriend die Hongkong bezocht. Als je aan Betty dacht, zag je haar aan haar ronde rozenhouten eettafel zitten, snel om zich heen kijkend of ze lege borden zag, dan rinkelend met haar belletje, waarop er sluw glimlachende meisjes in bediendenlivrei – identieke ‘qipao’s’ verschenen. Old Filth en Betty waren door en door internationaal, geliefde ornamenten tijdens elke herdenkingsdienst voor oude vrienden, Engels of Chinees, in de kathedraal. De laatste jaren stapelden dat soort sterfgevallen zich op.’

EEN ONBERISPELIJKE MAN

HET GROTE FOUTE JONGENS BOEK

 

Een tintelende tweespraak heb ik voor u waarvan het voorwoord van de hand is van de eerste man van ons land. Een doldrieste dialoog leg ik voor u neer die bol staat van vindingrijkheid, virtuositeit, openheid, levenslust, satire en spot. Een welkom roep ik toe aan een boek dat u pas weg legt als u het uit hebt. Het gaat om de 268 bladzijden tellende, geestig en adequaat geïllustreerde hardcover Het Grote Foute Jongens Boek van Rob Hoogland en Arthur van Amerongen en van uitgeverij Pepper Books. Uiteraard geef ik eerst ruimte aan onze demissionaire premier die voorin het boek met de hilarische titel een goed woordje doet. Ik citeer: ‘Een Volkskrant- en een Telegraaf-columnist die samen een boek schrijven, dat is net zoiets als een Ajax- en een Feyenoord-supporter die samen een feestje geven, of de PvdA en de VVD die samen een kabinet vormen. Dat kan dus prima. Bovendien is er iets speciaals dat Arthur van Amerongen en Rob Hoogland bindt, want zij zijn naar eigen zeggen allebei foute jongens. Verder is het mij een raadsel waar dit boek over gaat. Maar we kunnen natuurlijk altijd leren van andermans fouten, dus vandaar dat ik graag zeg: lees dit boek! Mark Rutte.’

De beste aanbeveling tot het verorberen van dit heerlijke werk is u de inhoud laten proeven. Ik doe dat door Rob Hoogland aan het woord te laten met zijn aandeel in het eerste chapiter, waarin ook de titel van het gebak deels verklaard wordt. Maar eerst geef ik u de tekst op de omslag en de opgave van de inhoud. Opdat u de smaak te pakken krijgt van het boek dat niet alleen rijk is aan ideeën maar ook aan taalvondsten. De volgende keer maak ik mijn stuk af met het citeren van Arthur van Amerongen.

De omslag: ‘De populaire columnisten Rob Hoogland (De Telegraaf) en Arthur van Amerongen (de Volkskrant, HP/De Tijd) vertegenwoordigen twee verschillende werelden, maar hebben toch veel gemeen: humor, spitsvondigheid en maling aan politieke correctheid. Zij zeggen onverbloemd wat zij vinden en passen daarbij vaak het stijlmiddel van de satire toe.
Rob en Arthur leerden elkaar al chattend beter kennen op Facebook, zochten elkaar daarna regelmatig op en besloten toen tot een unieke samenwerking, die heeft geresulteerd in het ‘Het Grote Foute Jongens Boek’. In korte dialogen, maar ook in langere verhalen passeren alle denkbare onderwerpen de revue: de wereld van de media, drank & drugs, voetbal en sport in het algemeen natuurlijk, de grachtengordel, popmuziek, meisjes, politiek, literatuur, misdaad, leven & dood... ‘

De inhoud: ‘Voorwoord van Mark Rutte - Een Hutu-Tutsi-collaboratie - Alkmaar, het Ede van Noord-Holland - De zelfkant houdt van mij - De Alzheimerbode van het Reauquain - Working class heroes  -  Oranje boven, leve de republiek - De oerdrift en haar gevolgen -  Kom in mijn tent, kom in mijn tent - Leven als god in Portugal - Elk pondje gaat door het mondje -  Stil, broers, daar gaan ’n man verby -  Moeder alcohol en haar falderappes - Huub van Mars & Stella van Venus  - Egels zijn de nieuwe negers - Leven als kat en hond - Panem et circenses: het lederen monster - De truttigheid en het fietsgajes - Het knuffelen der mohammedanen - De mama’s & de papa’s -  Dit is het einde, dat doet de deur dicht.’

Het begin van het eerste stuk Een Hutu-Tutsi-Collaboratie:  ‘R - Nog steeds, geachte heer Van Amerongen, word ik door twijfels geplaagd. Vergeet niet dat chatten een vorm van communicatie is die mij eerst in de herfst van 2015 is bijgebracht tijdens een cursus Internet voor Senioren in de recreatiezaal van de Prins Hendrik Stichting in Egmond aan Zee. Dat was oorspronkelijk een tehuis voor oud-zeelieden, maar is tegenwoordig ook het eindstation voor de lokale bejaarden. En toen, enkele maanden nadat ik op Facebook spontaan met u aan het chatten was geraakt, kwam u plots met het voorstel om samen een boek te schrijven, waarin ook ruimte voor dergelijke chats zou moeten komen. U had zelfs de titel al voorradig: ‘Het Grote Foute Jongens Boek’. Ik heb u nadien enkele malen in levenden lijve ontmoet. Uw grenzeloze brutaliteit was mij direct een doorn in het oog, maar ik had op Facebook al a gezegd en zei dus toch maar b. Dit houdt in dat ik voorlopig mijn medewerking zal verlenen. Desondanks blijf ik mij afvragen of het wel zo’n goed idee is.

De titel van het boek is platvloers en suggereert een zekere kameraadschap. Daar is tussen ons, mijns inziens, vooralsnog geen sprake van. O, zeker, dat chatten met u kan ik tot nu toe soms best waarderen. Zelfs indien de onderlinge verschillen zo groot zijn als die tussen ons, kan zo’n experiment naar mijn stellige overtuiging geen kwaad. Ik houd op die manier voeling met wat voor veel van mijn lezers een platte, ordinaire wereld is, een gene zijde so to speak, maar waarvan ik als chroniqueur in dienst van een populair dagblad wel het nodige wil weten. Bovendien bent u een vakbroeder, niet van talent gespeend, wiens lot ik mij aantrek. U zit daar maar in uw eentje, in dat boerengehucht in de Algarve richting Spaanse grens. Regelmatig wekt u in uw columns de indruk uzelf te verwaarlozen. Dat doet mij pijn. In tegenstelling tot wat velen denken, zijn wij Telegraaf-jongens niet van beton. Vergeet niet dat ik de dierenkrant bij uitstek vertegenwoordig. Soms voel ik zelfs, net als al die jonge oudere vrouwen die u op Facebook volgen, de behoefte om naar Faro te vliegen en u weer eens in bad te doen. Ik ben nu eenmaal een mensenmens.
Hoewel… toen ik vroeger als tennis- en hockeyverslaggever de aardbol verkende, kon ik het ook al opvallend goed met Volkskrant-medewerkers vinden. Ze waren zonder uitzondering extreemlinks, die jongens. Ik denk daarom dat de reden van onze vriendschap weleens verscholen zou kunnen liggen achter het feit dat mijn opa van moederskant in 1902 een der oprichters van de SDAP-afdeling Alkmaar was, als penningmeester nog wel, terwijl hij nooit een cent te makken had. Wellicht heb ik daar toch iets van meegekregen. Al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat de hang naar alcohol die deze Volkskrant-medewerkers en ik tijdens onze gemeenschappelijke reizen met elkaar deelden er misschien ook iets mee van doen had.

Die dorst voerde ons meestentijds naar dezelfde etablissementen, waar ik na afloop vaak niet alleen mijn eigen rekeningen betaalde, maar ook de hunne. En toch bonnetjes vragen, die gasten. Doch dit terzijde. U denkt toch niet dat ik in het openbaar over mijn vriendschap met de VK-jongens berichtte? De lezer, zo meende ik, zou er alleen maar van in de war geraken. En zo denk ik er nog over. Telegraaf en Volkskrant? Onverenigbaar voor de buitenwereld. Permanente incompatibilité d’humeur, zou men ook kunnen stellen. Die indruk bestaat nog steeds en zou eigenlijk moeten blijven bestaan. Om die reden vinden mijn rendez-vous met uw door mij zeer gewaardeerde collega mevrouw S. Witteman nooit plaats in drukbezochte, door BN’ers gefrequenteerde gelegenheden als Hoppe, De Zwart of Luxembourg, maar in obscure pijpenlaatjes als De Engelsche Reet. Wij beseffen dat wij beter niet samen gezien kunnen worden. En nu wilt u samen met mij een boek schrijven. U, drs. A. van Amerongen, ooit de wonderboy van de linkse journalistiek, maar daarna zelfs even Jellinek-klant. Bij wie volgens eigen zeggen ooit een MBD’tje is vastgesteld, volgens mijn informatie hetzelfde als ADHD. Vroeger stond MBD voor Minimal Brain Damage, tegenwoordig voor Minimal Brain Dysfunction. Want Damage, dat is natuurlijk weer te kwetsend. Welnu, van mij mogen ze er, nu ik u iets beter heb leren kennen, Maximal Brain Disaster van maken. En wie staat daar tegenover? Ik, Rob Hoogland. Al veertig jaar het toonbeeld van evenwicht, gezond verstand, fatsoen en rechtschapenheid. Kunnen wij ons wel zij aan zij als Foute Jongens presenteren? Valt dat uit te leggen? 

Op Facebook maakt u werkelijk onuitstaanbare grappen over ons geliefde kroonprinsesje, dat daar veel te jong voor is en zich niet kan verdedigen. Het thema zelfbevrediging, in alle soorten, maten en bewoordingen, neemt net als de buttplug – ik moest even opzoeken wat dat precies is – een veel te voorname plaats in uw oeuvre in. U laat niet na de lezer kond te doen van uw ervaringen met de meest uiteenlopende genotmiddelen. U bent bevriend met Rob Muntz. En met zo iemand moet ik dan een literair een-tweetje gaan maken? Uw eigen hoofdredacteur Philippe Remarque schreef in 2015 een commentaar in de Volkskrant waarin hij de Telegraaf een eerbiedwaardig instituut noemde. U mag het best weten: bij ons op de redactie werd menig traantje geplengd. Dat ons dat nog mocht overkomen. Dit gaat echter tien stappen verder. Hier gaan wij pogen een muur te slechten die volgens velen niet geslecht kan worden. Nooit eerder schreven een Volkskrant- en een Telegraaf-columnist in gezamenlijkheid een boek. Het wordt, als u het mij vraagt, een Hutu-Tutsi-collaboratie. Ik weet dat wij, voornamelijk doordat u het licht heeft gezien, over bepaalde zaken min of meer dezelfde gedachten koesteren. Zo noemen wij negers negers en moslims achterlijk. Nou ja – veel moslims. Wij wijzen omfloerste omschrijvingen allebei af en gebruiken vergelijkbare terminologie wanneer we de knieval beschrijven die binnen de EU voor de islam wordt gemaakt. En zo zijn er nog wel een paar dingen. Wat heeft u voor ogen, jonge vriend? Waar wilt u heen? Toch niet naar onze jeugdjaren, mag ik hopen? Vergeet niet dat wij bijna tien jaar in leeftijd verschillen.

HET GROTE FOUTE JONGENS BOEK

OVER STRAATNAMEN MET NAME

 

Een heel toegankelijk doch diepgravend, een zeer leesvriendelijk doch veelomvattend boek heb ik voor u dat ons heem in de schijnwerpers zet. Ik leg voor u neer een gids die u door de wegen van ons land heen loodst. Het gaat om de 270 bladzijden tellende paperback Over straatnamen met name van René Dings en van Nijgh & Van Ditmar met de intrigerende en uitnodigende ondertitel ‘Waarom onze straten heten zoals ze heten’. Op de omslag paraderen straatnaambordjes als ‘Mickey Mouseweg’, ‘Lievelingsweg’, ‘Krinkelwinkel’, ‘Writsaert’ en ‘Jol’ die in het namenboek een uitleg krijgen. In mijn woonstede Papendrecht kregen vele buurten straatnamen waarvan de naamgevers uit de scholen van schilders, schrijver, geleerden, molens, bomen, bloemen komen. Zo woonden wij ooit in de Busken Huetstraat, werkte ik aan de Vijzellaan, kerken wij aan de Van der Palmstraat, winkelen wij aan de Gerard Dousingel en bezoeken wij kennissen in het Tinbergenplantsoen. Deze straatnamen vragen geen opheldering want de clusters waaruit ze stammen behoren tot het collectieve bezit.
Andere koek is het met de wegen in mijn domicilie die namen dragen als Bosch, Nanengat, Boomgaardstraat, Oude Veer, Lange Tiendweg, Ketelweg, Kraaihoek,  Eilandstraat, Slobbengorsweg, Huys de Merwede, Badhuisstraat, Visschersbuurt , Zalmsteeg en Matenasche Scheidkade. Met wat fantasie, historisch bewustzijn, lokale kennis, inleving zullen veel van deze namen bij u gaan oplichten maar toch zullen er vragen bij u blijven die om een antwoord, om opheldering vragen. Zo was er in 1570 een dijkdoorbraak in de Alblasserwaard die bij het moeizame herstel van de dijk het aldaar ontstane gat buitendijks kwam te liggen en de naam kreeg van vrouw Naantje die vlakbij woonde: dus het gat van Nane. Zo woonden er vroeger veel dorpsgenoten met een bepaalde bijnaam in een buurt die de Kraaihoek genoemd werd. Zo herinnert het Oude Veer ons aan de heel vroeger bestaande situatie (van 1665 af), waarbij de veerschuitjes, komende vanuit Dordrecht, niet mochten aanleggen aan het einde van de Veerdam, maar vanuit de Merwede de Gantel invoeren, die veel breder was dan tegenwoordig.

Mijn jonge jaren mocht ik verpozen in het dorp Kralingseveer. Een jaar na mijn geboorte werd de tot Capelle a/d IJssel behorende wijk ingepalmd door het grote Rotterdam. De Hugo de Grootstraat werd omgedoopt in de Lamastraat, een schrijver werd omgeruild tegen een beest. Ook Da Costa, Tollens en Roemer Visscher moeten wijken voor buffel, giraffe en zebra. De laatste jaren thuis vertoefde ik weer met ouders, broers en zus in Capelle a/d IJssel in de P.C. Hooftlaan. De eerste huwelijksjaren brachten mijn eega en ik in Boskoop door, in de Vuurdoornstraat die in de tussentijd omgedoopt werd tot de Jac. P. Thijssestraat. In onze huidige woonstede Papendrecht vonden wij eerst een onderdak in de Busken Huetstraat en later aan de Veerdam. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de namen van de straten waarin ik woonde meer prozaïsch dan poëtisch zijn, met uitzondering van Veerdam want van puur lokale betekenis.
 Van oudsher de verbinding van de rivierdijk met het veer naar Dordrecht. De dam werd in 1653 door Dordrecht aangelegd, met het doel de stroomsnelheid van de Merwede te vergroten, waardoor deze beter op diepte kon worden gehouden. Ter weerszijden van de dam lagen vroeger brede rietgorzen en platen en platen, die bij iedere vloedstand onder water gingen. Op die gorzen werd onze Veerdam aangelegd en ook het sportpark Slobbengors waar ik dagelijks mijn rondjes loop.

Met bovenstaande wil ik stipuleren hoe boeiend heemkunde kan zijn. Vondel dichtte in zijn tragedie ‘Gysbreght van Aemstel’ dat de liefde tot zijn land ieder aangeboren is. En tot het land behoren de straten met hun namen. René Dings doet daar een boek over open. En hoe! In het Voorwoord geeft hij zijn geloofsbrief af, waarin hij tot slot zegt: ‘Daarbij is één ding duidelijk: als je het over straatnamen hebt, heb je het niet alleen over de naam maar automatisch ook over geschiedenis, taal, personen, gebeurtenissen, stedenbouw of politiek. En dat is nou juist het leuke. Vandaar ook de titel van dit boek: ‘Over straatnamen met name’. In dit boek laat ik zien hoe straatnamen tot stand komen en wat daar allemaal bij komt kijken. In het eerste hoofdstuk kijk ik terug op de geschiedenis en ontwikkeling van de straatnamen. In de daaropvolgende hoofdstukken ga ik steeds in op een van de hoofdregels bij de naamgeving: het gebruik van thema’s, de keuze van de achtervoegsels, de geschiktheid voor dagelijks gebruik, het verwijzen naar de geschiedenis, en de voorwaarden voor vernoeming naar personen of bedrijven. Tussendoor vertel ik hoe straatnamen soms tot discussies kunnen leiden. Een deel van de verhalen van dit boek is eerder ook al op de website verschenen, maar alles is herschreven en in een context geplaatst. Verder bevat dit boek ook heel veel nieuwe verhalen, voorbeelden, feiten en fabels. Interessant die op een of andere manier met straatnamen bezig, is, maar vooral ook voor iedereen die met een nieuwsgierige blik kijkt naar de wereld om zich heen.’

Ik haast mij te zeggen na deze woorden van René Dings dat hij geheel in zijn opzet geslaagd is. Zo pluk ik van blz. 45-46 de langste straatnamen van Nederland:
Ir. Mr. Dr. van Waterschoot van der Grachtstraat in Heerlen (48 tekens in totaal, 38 tekens zonder punten en spaties)
Burgemeester Baron van Voerst van Lyndenstraat in Gramsbergen (46 tekens)

Wethouder Fierman Eduard Meerburg senior kade in Katwijk (45 tekens)
Burgemeester Baron van Voorst tot Voorstweg in Tilburg (43 tekens)
Burgemeester van Nispen van Sevenaerstraat in Laren (42 tekens)
Burgemeester van Hövell tot Westerflierpad in Halfweg (42 tekens)
Burgemeester Hoytema van Konijnenburglaan in Scherpenzeel (41 tekens)
Anthonij Michielsz van Voorthuijsenstraat in Den Helder (41 tekens)
Burgemeester Strick van Linschotenstraat in Maarssen (40  tekens)
Burgemeester Jhr. Quarles van Uffordlaan in Apeldoorn (40 tekens)

Hebt u een amice in een van deze tien straten wonen dan is zijn adres geen sinecure! Beter af in deze was mijn vroegere collega Andre Boesberg die in Ottoland bivakkeerde in straat A. Op blz. 149 geeft Dings de context. In mijn HBS- jaren fietste ik vanuit Kralingseveer dagelijks de weg naar Kralingen die over de ’s-Gravenweg loopt. Op blz. 265 onder het kopje ‘Hoe oud is de weg naar Kralingen?’ zet Dings uiteen het hoe en waarom van deze slogan. Met mijn huisgenoten Jan en Bernhard speelde ik vaak aan tafel Monopoly. Dings zet op blz. 253-256 uiteen waarom juist deze straatnamen een plekje in het spel hebben gekregen. Een jaar geleden mocht ik bij u introduceren ‘Moresnet’ van Philip Droge. U zult wellicht kunnen bevroeden het antwoord op Dings’ vraag op blz. 256-257 ‘Waarom ligt er bij het Drielandenpunt een Viergrenzenweg?’
Een volgende keer wil ik met u een tocht maken door Over straatnamen met name om bij verassende en horizonverleggende straatnamen halt en front te maken. Als lokkertje geef ik de tekst van de omslag en delen van de elf titels van de hoofdstukken van Dings.

De omslag: ‘We hebben elke dag met straatnamen te maken: als we post versturen, als we ergens op bezoek gaan, als we de weg zoeken in een vreemde stad. Achter veel van die namen schuilen bijzondere en interessante verhalen. Wie bedenkt bijvoorbeeld al die straatnamen? En naar welke persoon zijn de meeste straten vernoemd? Worden er ook weleens straatnamen gewijzigd? Hoe komen bijzondere straten als Burelhul en Dubbeleworststeeg aan hun naam? Waarom is er voor Jan Steen vaak geen plek in een schilderswijk? Is er echt een Ajaxstraat in Rotterdam? Over straatnamen met name is een vrolijk en informatief boek, waarin Rene Dings vertelt hoe straatnamen tot stand komen en wat daar allemaal bij komt kijken. Wie het Monopolyspel van straatnamen heeft voorzien bijvoorbeeld, en hoe oud de weg naar Kralingen precies is. Als je het uit hebt, kun je nooit meer normaal naar een straatnaambord kijken. Maar dat is niet erg. Het is een verrijking.’
De chapiters van Dings: - de geschiedenis van de straatnaamgeving (1), - straten met namen volgens een thema (2), - het gebruik van achtervoegsels in straatnamen (3), - communiceren met straatnamen (4), - onrust en discussie over straatnamen (5), - records in straatnamenland (6), - wat straatnamen vertellen over onze geschiedenis (7), - straten noemen naar personen (8), - straten noemen naar personen die nog leven (of pas net zijn overleden) (9), - straten noemen naar bedrijven (10), - zijn er nog vragen? (11).
‘Over straatnamen met name’ is een kostelijk boek. Zeker weten!
 

DE COWBOYKAMPIOEN

 

Mijn trouwe man van de post Ruud legde gisteren in het mandje voor de deur een roman neer en nadat ik het opgepakt en de eerste bladzijden tot mij genomen had, vertoefde ik meteen in het verhaal. De schrijver had mij bij de kladden. Hoe dat zo kwam wil ik aan den lijve doen ondervinden door de eerste vier pagina’s integraal aan u door te geven. Het gaat om de roman in paperbackgedaante De cowboykampioen van Aura Xilonen en van Wereldbibliotheek. Voor mijn citaat geef ik eerst de door u en mij zo beminde uitgeverij het woord via de tekst op haar site. Als wij De cowboykampioen tot ons genomen hebben wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit. Goed leesavontuur staat ons te wachten!

De uitgever: ‘De 17-jarige Liborio is een tengere en schuchtere jongen die de armoede van zijn Mexicaanse familie ontvlucht. Zonder papieren komt hij terecht in een Amerikaanse stadje net aan de andere kant van de grens met Mexico. Hij krijgt een baantje in een boekhandel en leest vrijwel alle boeken in de winkel om zijn taalgebruik te cultiveren en zijn kennis te vergroten. Hij wil namelijk indruk maken op het 19-jarige meisje dat hij heeft gered toen ze op straat werd lastiggevallen. Bij die vechtpartij is hij een bokstrainer opgevallen die hem onder zijn hoede neemt en een professioneel bokser van hem wil maken. Nu zal hij eindelijk iets van zijn leven kunnen maken, verwacht Liborio, maar zo gemakkelijk gaat dat niet.’

Aura Xilonen met geboortejaar 1996 (!): Dus die paupers lopen dat mooie meisje te teasen en vieze dingen naar haar te roepen en ik denk: als ik die fokking meridianen verrot sla wordt mijn leven misschien totaal anders. Ik was toch al een hopeloos geval en een schijtluis ben ik zeker niet. Dat heb ik altijd geweten, een tijdje geleden ramde ik bijvoorbeeld alle tanden uit de bek van zo’n pauper. Hij liep op het meisje te hitten, maar zij reageerde niet, ze keek alleen of de bus er al aankwam en leek superongemakkelijk, al helemaal toen die teringlijer met zijn gore schurftpoten aan haar kont zat. Ik rukte me los uit de dwangbuis van mijn plek achter de balie van de bookstore: de lucht om me heen begon te tintelen en ik schoot weg om mijn vuisten op zijn bek te planten, tja, wat kun je nou verliezen als je nooit iets hebt gehad. Dus ik storm van achteren op die smurf af en geef hem een keiharde trap tegen zijn enkel, en als een gekko die op een regenachtige dag over een raam glibbert klapt hij in slowmotion dubbel, en dan ram ik met al mijn kracht snoeihard achter op zijn bovenkamer. paf! boem! krak! Ik beuk op zijn tanden in tot alleen zijn vlezige rode tong nog te zien is, en daar ligt zijn lichaam dan in zeestervorm op de stoep te bibberen alsof het een show is. Er stond al een kluitje om me heen, want altijd als de pleuris uitbreekt op straat komt er een stroom paupers en patsers op af om het van dichtbij mee te maken. Een van die onderkruipsels van hem zegt: ‘Wat een achterbakse kutstreek, man: echte mannen slaan van voren, smerige indiaan die je bent.’ Hij wacht me op met blikkerend ijzer tussen zijn tanden, net zo’n hond die alles wat hij aanraakt kapotbijt, dus zonder erbij na te denken en met de voet waarmee ik de eerste ook al heb neergeschopt, trap ik als een bazooka in het kruis van die tweede kerel. Voor hij tegen de grond gaat, zie ik alleen nog het wit van zijn ogen; volgens mij zijn z’n kloten door zijn kont naar zijn hersens geschoten. En hij knalt voorover.

Nu probeerde niemand van dat fokking kliekje mij te slim af te zijn, ze stonden alleen maar blauwbleek, verdwergd naar me te kijken, alsof ze bijna omwaaiden. Toen keek ik waar het meisje was, weet ik het, kijken of ze oké was, maar ik zag haar nergens. Door al die paupers wist ik niet of de bus al voorbij was gereden, misschien had een van de patsers haar een steegje daarachter in gesleurd, waar de huizen rattennesten zijn. Een negerin die mij erop los had zien beuken kwam op me af, greep mijn arm en trok me tussen de troep honden uit, terwijl een paar paupers die zakkenwassers op de stoep probeerden op te kalefateren. De vrouw liep met me naar de hoek en zei: ‘Godsamme, melkmuil, jij in wespennest gezeten, snel wegwezen problemen, hier jij geen drie seconden overleven.’ Maar ik worstelde me los, liet haar tegen zichzelf praten daar op de hoek en stak de straat over om weer vliegen te gaan vangen in de boekwinkel. • [O, zo goed had ik me niet meer gevoeld sinds ik de Río Bravo in dook en er door de kracht van mijn bijna ontvelde armen uren later halfdood uitkwam, alsof ik voor het eerst adem¬ haalde. Daar aan de waterkant, aan deze zijde van de kloof, liet ik mijn angst voor nare dingen achter.] Terug bij de balie van de bookstore staat m’n Chief ineens als een zeis achter me en vraagt: ‘Al iets verkocht, luizenbol?’ Dan loopt hij naar de etalage die uitkijkt op de straat en brult: ‘Fuck, wat is er goddomme daar op de hoek aan de hand?’ Met het doekje in mijn handen haal ik mijn schouders op, want ik moest nog stof afnemen, daar was ik halverwege mee gestopt om die paupers te mollen en het meisje te verdedigen. ‘Hond aangereden,’ zeg ik chagrijnig, of weet ik het, en ik laatdunk snuivend. Op dat moment kijk ik op, naar buiten, en voel ik een schok door mijn strot gaan, de bovenkant van mijn maag knijpt zich samen: het meisje steekt de straat over naar de boekwinkel. Ik wou dat de aarde me opslokte. Mijn ballen krimpen van de zenuwen. Ik krijg mijn eigen spuug niet eens meer weg. Binnen een seconde zie ik mezelf onder haar blik verdampen; van het ene moment op het andere ben ik vluchtelig. Mijn Chief ziet haar ook en snorkt tegen mij: ‘Ik help haar wel, stinkerd.’ Hij stuurt me weg naar een plek achter de kasten, zodat hij geen modderfiguur slaat bij dat beeldschone kippetje als hij aan zijn sik staat te plukken. Het meisje stapt over de drempel en de lucht rimpelt. Ze kijkt niet eens naar de boeken die in kasten en op tafels zijn opgestapeld; ze loopt er voorbij en schroeft zich vast voor de balie van de boekwinkel. Mijn Chief strijkt zijn wenkbrauwen glad en draait zijn ogen weg alsof hij probeert niet in haar decolleté te kijken. Ik kijk naar beneden, naar de grond, ik voel me een drenkeling in een zee van papier tussen al die boeken. Mijn mond is zo droog dat ik met lucht begin te gorgelen. Zij zegt ik weet niet wat, want ik hoor niks meer, voel alleen mijn slapen dreunen, met duizend kilometer per uur. De Chief wenkt me en zegt met ielige stem, bijna in mijn oor: ‘Fucking luizenhoofd, wat heb je met haar gedaan dat ze met jou wil praten?’

De Chief gaat een eindje verderop staan en doet alsof hij niet kijkt, maar ik weet dat hij ogen heeft achter zijn oren en kan horen met zijn pupillen. Het meisje bekijkt me van top tot teen, alsof ze door me heen kijkt, alsof ik lucht ben, en zegt alleen, voor ze zich omdraait en de winkel uit loopt: ‘Dank je wel, jongen… maar no thanks. Ik heb geen helden nodig, you know?’ Ze draait zich om en een wervelwind van rondingen, lippen, borsten en geur slaat tegen mijn roodgloeiende kraterhuid aan. Mijn Chief lonkt naar haar blozende kontje als ze door de deur naar buiten loopt en de straat naar haar gebouw oversteekt. Ik blijf verpletterd op de vloertegels achter, met ik weet niet wat voor kleverige viezigheid over me heen. Mijn Chief draait zich om en zegt fronsend: ‘Wat de hell was dat, fucking rotjoch?’ Ik haal mijn schouders weer op en ga bijna ter plekke over mijn nek, midden tussen de liters inkt die de drukpersen moeten hebben gebruikt om al die boeken met letters te bespikkelen. Maar het is geen angst voor woede-explosies. Tijdens de vechtpartij buiten had ik een verlamde, gemummificeerde hartslag. Sereen. Ik had een kameel door het oog van een naald kunnen krijgen terwijl ik die paupers in elkaar timmerde. Maar van meisjes krijg ik de bibbers, vooral als ze mooi en bijdehand zijn; ik voel al kriebels in mijn buik als ik denk dat er één in de buurt is, eigenlijk vind ik dat ik niet eens dezelfde lucht zou mogen inademen, en als mijn blik langs hun huid glijdt, staat mijn beenmerg meteen in de fik. Als er geknokt wordt kom ik er zelf wel uit, geen probleem. Maar door rondingen glibber ik weg tot aan mijn diepste afgrond, ofzo, dus toen het meisje de boekwinkel uit snelde voelde ik me verloren, binnenstebuiten gekeerd, of zoiets, helemaal week. En geen boe of bah, ik kon geen woord uitbrengen. ‘Wat was dat in vredesnaam?’ De woorden van mijn Chief halen me uit mijn mistige bibbertoestand. ‘Niks, Chief.’ Ik raap mezelf weer bij elkaar, inclusief hersenkwabben. ‘Dat meisje wilde een of ander tijdschrift dat we niet hebben,’ zeg ik tegen de etterbuil, zodat hij ophoudt met prikken in de barst die zich op dat moment in mijn borst opent. ‘Smerige Leviet, hoe kunnen wij nou overleven als jij niet eens zo’n klotetijdschrift kunt verkopen, huh? Fuck. Fuck. Fuck.’ En ik sta daar maar, verdoofd, misselijk van mijn eigen braaksel.