21-12-2015

HONOLULU KING

 

Met een saluut aan de komende, voor velen van u vrije, winterdagen wil ik u een roman intrekken door de eerste drie bladzijden ervan aan u door te geven. Opdat u ‘in the mood’ komt van dit boek dat op mijn editie –  van de vierde druk in no time! – de sticker draagt met notitie ‘DWDD- Boekentip – Stoppen met lezen lukte niet. Wat een boek is dit zeg!’ Matthijs van Nieuwkerk. Het gaat om het 350 bladzijden tellende Honolulu King van Anne-Gine Goemans en van uitgeverij Ambo/Anthos. De zeg maar proloog van Honolulu King nodigt meteen uit tot verder lezen, want:’ Toen Hardy Hardy eenmaal begon te spreken, wenste iedereen met heel zijn hart dat hij zijn mond had gehouden. Hij werd gezien als een optimistisch en gemoedelijk mens die als Honolulu King met hawaïmuziek naam had gemaakt. Over de beestachtige moorden op zijn moeder, twee broertjes en zusje in juni 1946 hoorde je hem zelden. Totdat Hardy Hardy het nodig vond om zijn verhaal te vertellen. Ruim zeventig jaar later. Ik citeer de entree van Honolulu King en laat daaraan voorafgaan de tekst van de uitgever op de website. Mag ik met u afspreken dat wij elkaar in januari om deze bestseller ontmoeten waarop de omslag voorzijde (onder ondergaande zon) Kees ’t Hart zegt: ‘Daar gaat het om in literatuur: iets schrijven wat anders is dan anders. Geestig en tragisch, scherp en ontroerend. Buitengewoon overtuigend’. Deze roman en Drie minuten in Polen van Glenn Kurtz (waarover later) zullen de winter meer fleur geven!

De uitgever: Honolulu King is een op ware feiten geïnspireerd verhaal over een Indische man, getekend door zijn oorlogsverleden. Wanneer hij een geheim opbiecht in de loge van de vrijmetselarij, stelt hij zijn broeders voor een groot dilemma. Mogen vrijmetselaars met hun geheimhoudingsplicht een misdaad verzwijgen? Goemans toegankelijke schrijfstijl maakt Honolulu King tot een boek voor jong en oud. De prijswinnende Anne-Gine Goemans is bekend van haar romans Glijvlucht en Ziekzoekers. Met Ziekzoekers won zij de Anton Wachterprijs. Glijvlucht werd beloond met de Dioraphte Jongeren Literatuur Prijs.’

De entree: ‘Hoe heet de man die de gevangeniskat opat? Dat is de vraag en het maakt niet uit wie van de drie vrienden de vraag stelt of hoe ze op het onderwerp komen. Het draait om de achternaam en niets anders doet ertoe op deze lenteochtend in toko Hardy. ‘Hij heet Brouwer,’ zegt George. ‘Sure as hell. Samen met zijn makkers vrat hij de kat op, uit noodzaak. Gedreven door honger en wanhoop.’ Onderuitgezakt op de bank kijkt hij zijn twee vrienden aan met zijn typische George-blik. Met zijn eenentachtig jaar en slechte ogen maakt George nog steeds net zo’n zelfverzekerde indruk als ruim een halve eeuw geleden toen ze met de Honolulu Kings volle zalen trokken. Vijf Indische jongens met snaarinstrumenten op het podium, al leek George meer op een Afrikaan dan op een indo. In het bijzonder op Nelson Mandela. ‘Volgens mij heette die man niet zo,’ zegt Cok hoestend boven een bak met kipfilet. Hij zit aan tafel en rijgt de blokjes aan satéstokjes. ‘Ik zie hem zo voor me. Een schriel ventje met onwaarschijnlijk grote voeten… Verbeek! Verbeek uit Batavia at de gevangeniskat op! Dat was zijn redding. De jappen wilden dat de gevangenen hun drol inleverden vanwege mijnworm. Maar er viel niets te kakken, omdat ze niets te vreten kregen. Zonder eten geen kak.’ Tevreden neemt Cok een trekje van zijn kruidensigaret en krult zijn lippen naar buiten waardoor sigarettenrook tussen de spleetjes in zijn kunstgebit ontsnapt. ‘Toen heeft Verbeek zijn drol, de resten van die gevangeniskat, onder zijn slapies verdeeld. Want als je niks inleverde, kreeg je klappen van de jap.’ George schudt zijn hoofd. ‘Je zit ernaast. De man heet Brouwer.’ ‘Verbeek,’ houdt Cok vol. Cok ziet er vreemd uit, vindt Hardy. Zoals hij daar zit met zijn veel te witte en te grote nieuwe gebit lijkt hij meer op een haai dan op een man van achtenzeventig. Het komt ook door zijn huid. Die is zo strak als die van een bruine haai. ‘Hardy? Wat denk jij?’ vraagt Cok terwijl een kegeltje as op de kipfilet valt. ‘Brouwer of Verbeek?’ Hardy staat langzaam op uit zijn fauteuil en trekt zijn overhemd met dynamische witte cirkels in de plooi. ‘We gaan hem tracen,’ zegt hij en hij loopt naar de stellingkasten die een buffer vormen tussen zijn afhaalhuisje en het huiskamergedeelte. Veel meer dan een vitrine met gerechten behelst de toko niet. Hardy tilt een plastic krat uit de stellingkast en zet het op de eettafel. Vier kratten heeft hij die tot de rand toe gevuld zijn met cassettebandjes. Keurig in het gelid, met de ruggen van de doosjes naar boven zodat de achternamen zichtbaar zijn.

Jansen. Tikoealoe. Oosterhof. Velthuizen. De Jong. Kakabeke. Disco. Hardy buigt zich over het krat. ‘Het is Wolff en niemand anders,’ zegt hij en hij ploegt door de cassettebandjes terwijl hij hardop de namen voorleest. George Akkerman en Cok Bakker, respectievelijk bassist en gitarist van hun in de vorige eeuw opgedroogde hawaïband de Honolulu Kings, luisteren in stilte naar de namen. Hoe vaak hebben ze zo al bij elkaar gezeten om iemand te tracen? ‘We gaan hem tracen.’ Honderd keer? Honderdvijftig keer? Geen van hen zou het kunnen zeggen. Het begint met een vraag van een van de drie vrienden over een gebeurtenis in de Indische gemeenschap. Bijvoorbeeld wie van de geïnterviewden vertelde dat zijn groep in 1948 was gediskwalificeerd tijdens het hawaïconcours vanwege het optreden van hoelameisjes, terwijl danseressen nadrukkelijk verboden waren op concoursen omdat zij de jury konden beïnvloeden. Was het Eddy Doorenbos van de populaire Maui Eilanders? Of Peter Schil - per oort van de Puka Paka’s? Elke achternaam werd tegen het licht gehouden. Hardy en zijn vrienden waren er in ieder geval zelf niet bij geweest. In 1948 waren ze nog kinderen en kenden ze hawaïmuziek alleen van de radio. Hardy noemt zijn verzameling cassettebandjes met interviews ‘wetenschappelijk materiaal’. Er zitten volgens hem explosieve onthullingen bij die in de gangbare geschiedenis zijn verdrongen en bewust buiten de boeken zijn gehouden. Hij had ooit een zware bandrecorder die hij meezeulde naar optredens om de muziek van zijn eigen Honolulu Kings en aanverwante groepen vast te leggen. Toen hun muziekstroming eind jaren zestig uitdoofde, viel er weinig meer op te nemen. Daarom gebruikte Hardy het apparaat om er zijn Indische klanten mee te interviewen. Orale herinneringen aan Nederlands-Indië en de bezetting door Japan. Interviews kun je het nauwelijks noemen. Hardy maakte alleen een snuivend geluid als een anekdote van een klant hem niet beviel. De jap, een positief verhaal over de jap, lag uiterst gevoelig bij hem. Klanten die beweerden dat er ook goeie jappen bij zaten hoorden de gemoedelijke Hardy opeens ingehouden briesen. Het klonk als het begin van een najaarsstorm; de laatste bladeren aan de bomen werden rusteloos, het wateroppervlak begon te rimpelen. Maar over het algemeen liet Hardy zijn landgenoten ongestoord praten en nam hij ook de langdurige stiltes op waarin het grootste verdriet besloten lag. Hardy’s hand doorploegt het krat, op zoek naar de man en de gevangeniskat. Het merendeel van de geïnterviewden is inmiddels dood.’

Hoe heerlijk is het lezen van een goed boek!

PRENTENBIJBEL

 

Een lust voor het oog, een streling van het gemoed,  een must read, een must see, een boost voor de kennis, een verrijking voor de geest, een el dorado, een scala is het kijk- en leesalbum. En de doelgroep vormen de kids van vier tot zeven jaar, maar hun ouders en grootouders mogen zeker  mee genieten. Het gaat om de 280 bladzijden tellende Prentenbijbel met illustraties van Marijke ten Cate en is een uitgave van Royal Jongbloed. In het colofon staan de namen van tekstschrijvers en klankbordgroep. Welgeteld achttien! Vorige week mocht ik van dezelfde uitgeverij bij u introduceren het geweldige en kolossale De Bijbel in de Lage Landen van Paul Gillaerts en de zijnen. Wij zeiden toen tegen elkaar dat de 66 bliblia uit het Oude Testament en het Nieuwe Testament niet alleen tot het cultureel erfgoed behoren, maar zeker ook deel uit maken van de basiszekerheden van het christelijk geloof. Het gaat dus niet aan dat ik het belang van de Bijbel nog eens ga aantonen, die is er gewoon. In alle vormen; nu de Prentenbijbel. Ik zou derhalve kunnen volstaan met de annonce dat Prentenbijbel er is. En dat al sinds anno 2008 met herdruk op herdruk! Om toch dit eclatante werk een context te geven reik ik u de tekst van de harde cover aan en doe ik dat ook met het welkom dat de uitgeverij Ark Mission op haar site verwoordde. Het leeuwenaandeel van mijn introductie is voor een artikel uit het Reformatorisch Dagblad van een paar jaar terug. Onder het kopje van ‘Prentenbijbel van Marijke ten Cate: historisch verantwoord en tikje humoristisch’ wordt de illustratice in de bloemem gezet. Het RD bewaar ik overigens tot de volgende keer.

Prentenbijbel is niet alleen schoon van aanzien maar de beauty is ook sterk in vorm. Van ‘De eerste mensen’, ‘Noach bouwt een ark’, ‘Een jaar op het water’,en ‘De hoogste toren’ tot ‘Sta op en loop!’, ‘De eerste crhistenen’, ‘Paulus vertelt het goede nieuws’ en ‘Alles wordt nieuw!’. Daartussen ligt het verhaal ‘Jezus wordt geboren’, dat zeker de komende dagen in vele huiskamers zal opklinken. De kids zullen blijven kijken naar de zes kleurrijke, immer intrigerende illustraties van Marijke ten Cate!

De harde cover: ‘De Prentenbijbel is een dik prentenboek vol bijbelverhalen, geschreven in eigentijdse, kindgerichte taal. De warme en kleurrijke illustraties van Marijke ten Cate zijn paginagroot en laten ook details zien die niet in het verhaal voorkomen. Zo vertellen tekst en illustratie samen het verhaal van de schepping tot aan de dag dat Jezus terug zal komen. Voor volwassenen is achterin het boek een historische schets en een begrippenlijst opgenomen.’

Ark Mission: Verhaalstijl; deze kinderbijbel heeft een frisse, eigentijdse stijl terwijl de sfeer van de oorspronkelijke Bijbeltekst er in doorklinkt. In korte teksten wordt de kern van het Bijbelverhaal zorgvuldig verteld. De tekst is levendig en aansprekend. De illustraties en tekst vormen samen één geheel. De Prentenbijbel doet haar naam eer aan en is voorlees- en kijkboek tegelijk. Extra informatie; Deze kinderbijbel is de samenvoeging van de twee delen: Prentenbijbel ’Verhalen van het Oude testament’ en Prentenbijbel ‘Verhalen uit het Nieuwe Testament’ plus 11 extra verhalen. Niet meer als losse delen verkrijgbaar. Achter in de prentenbijbel is een historische schets opgenomen, waarin de samenhang tussen de 36 verhalen verduidelijkt wordt voor de opvoeders. Ook is er een lijst waarin Bijbelse begrippen (zoals: zegen, priester, doop) worden uitgelegd. Visie auteur: God heeft de wereld en de mensen geschapen en daarna niet meer losgelaten. Hij gaf zelfs zijn zoon om de wereld te redden, en een begin te maken met het herstel van de schepping. De verwijswoorden 'hij' en 'hem' worden zonder hoofdletter geschreven. Dit in navolging van de Nieuwe Bijbelvertaling waarop de tekst gebaseerd is.

Aansluiting bij de leeftijdscategorie: de Prentenbijbel is geschikt voor kinderen in de leeftijd van vier tot zeven jaar. Stijl, woordgebruik en illustraties zullen deze kinderen boeien. Zelf lezen kan vanaf ongeveer zeven jaar. Deze kinderbijbel kan ook aansprekend zijn voor mensen met een verstandelijke handicap. De illustraties zijn heel geschikt om samen te bekijken. Zij vormen een goed handvat om over de tekst van het verhaal door te praten. Vertelde verhalen: Oude testament: 18, Nieuwe testament: 18. De verhalen komen uit Genesis tot en met Openbaringen.  Ook de verhalen na Pasen, over Paulus en het visioen van Johannes worden bijzonder mooi verteld. In het visioen van Johannes over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komt de levensboom terug die ook in het paradijs stond. Zo worden einde en begin van de bijbel weer bij elkaar gebracht. Bij de verhalen worden de Bijbelgedeelten vermeld. Met inhoudsopgave, maar zonder paginanummers. Illustraties: elk verhaal staat gedrukt in een leeg gedeelte van de paginagrote illustraties. De illustraties zijn uitgevoerd in heldere, warme kleuren en zijn onderdeel van het verhaal. Tekst en illustraties ondersteunen elkaar. De illustraties tonen de sfeer van het leven in de Bijbelse tijd. Er is aandacht voor opvallende details die de tekst tot leven brengen. Voorbeeld: bij de geboorte van Isaäk geeft één van de kinderen een klein jasje.

De expressie op de gezichten is goed herkenbaar. Bruikbaarheid: thuis, kinderkerk/(zondagschool). De Prentenbijbel is heel geschikt om met jonge kinderen te lezen en te bekijken; thuis of in kinderkerk/(zondags)school. De illustraties zijn voldoende duidelijk om aan een kring kinderen te laten zien. Deze uitgave is ook te gebruiken in een vorm van club of catechese voor mensen met een verstandelijke handicap. De grote illustraties nodigen uit om samen te praten over het verhaal. Uitvoering: de Prentenbijbel is bijzonder zorgvuldig uitgevoerd. Er is veel aandacht besteed aan vormgeving, gebruik van lettertypen en illustraties.  De tekst, in een strak lettertype, staat in zwarte of witte letter over de gekleurde ondergrond van de illustraties. Dit kan moeilijk zijn voor mensen met leesproblemen. Met leeslint. Bijzondere gegevens: de auteurs hebben zich bij het schrijven en tekenen van de verhalen gebaseerd op de Nieuwe Bijbelvertaling. Een klankbordgroep adviseerde. Van diverse verhalen uit de Prentenbijbel zijn DVD's verschenen. Vanaf mei 2012 zijn verhalen uit de prentenbijbel ook als apps voor Ipad te koop. De apps zijn korte filmpjes met de mogelijkheid om ook vragen over het verhaal te beantwoorden en zo een gesprek over het bijbelverhaal op gang te brengen.’ De Prentenbijbel verdient een vaste stek in het gezin!

NORA

 

Het geschiedde op de eerste van deze maand, in DWDD Boek van de Maand november viel de roman in de prijzen en met het vizier op de komende winterdagen geef ik u nu een voorproef. Met de afspraak met u dat wij in januari met elkaar van gedachten wisselen om te traceren of de sticker op de wikkel van de hardcover opgaat. Want: ‘Een waanzinnig boek, categorie ‘Stoner’ DWDD boekentip’ Het gaat om het 378 bladzijden tellende Nora van Colm Tóibín en van uitgeverij De Geus. Voordat ik u de entree van Nora aanreik, geef ik het antwoord aan De Geus die op haar wikkel schrijft: ‘Ierland, eind jaren zestig. Nora Webster, niet de makkelijkste vrouw, is pas weduwe geworden. Ze probeert haar leven in het kleinsteedse Enniscorthy opnieuw gestalte te geven. Niet alleen heeft ze in haar eentje de zorg voor haar vier kinderen, ze moet ook weer gaan werken. Tegen de achtergrond van het conservatieve, katholieke Ierland met zijn strenge sociale controle weet ze zich door middel van vriendschappen en muziek toch te ontworstelen aan de benauwenis van haar leven.’ Op de wikkel van Nora staan twee uitspraken die veelbelovend zijn. Uit ‘Trouw’: ‘Een schrijver die je ongemerkt diep weet te raken’ en van Grietje Braaksma van DWDD boekenpanel: ‘Een boek dat je zeker niet mag missen. Ik ben verliefd op Nora’.
Als wij Nora tot ons genomen hebben zullen wij na lezing deze slogans op hun merites gaan beoordelen. Zeker is wel dat de in 1955 geboren Ier Colm Tóibín kan schrijven. Zijn eerdere werken toonden dat al aan en het begin van Nora ook. Hoort u maar!

Hoofdstuk 1: ‘Je zult wel schoon genoeg van ze hebben. Houdt die aanloop dan nooit eens op?’ Tom O’Connor, haar buurman, stond bij zijn voordeur en keek haar verwachtingsvol aan. ‘Ja, het is wat’, zei ze. ‘Gewoon niet opendoen. Ik zou het wel weten.’ Nora sloot het tuinhek. ‘Ze bedoelen het goed. De mensen bedoelen het goed’, zei ze. ‘Avond aan avond’, zei hij. ‘Ik begrijp niet hoe je dat volhoudt.’ Ze vroeg zich af of ze het huis kon binnengaan zonder nog iets te hoeven zeggen. Hij sloeg een andere toon tegen haar aan, een toon zoals hij voorheen nooit zou hebben aangedurfd. Hij sprak alsof hij enig gezag over haar had. ‘De mensen bedoelen het goed’, zei ze nog eens, maar nu maakten de woorden haar verdrietig en ze moest haar tranen verbijten. Toen ze de blik van Tom O’Connor opving, wist ze dat ze een timide, verslagen indruk moest hebben gemaakt. Ze ging het huis binnen. Die avond, tegen acht uur, werd er aangeklopt. In de achterkamer brandde de open haard en de twee jongens zaten aan tafel hun huiswerk te maken. ‘Ga jij eens opendoen’, zei Donal tegen Conor. ‘Nee, ga jij maar.’ ‘Ga eens opendoen, een van jullie’, zei ze. Conor, de jongste, ging naar de hal. Ze hoorde een stem toen hij opendeed, een vrouwenstem, maar niet een die ze herkende. Conor bracht de bezoekster naar de voorkamer. ‘Het is die kleine vrouw uit Court Street’, fluisterde hij haar toe toen hij de achterkamer binnenkwam. ‘Welke kleine vrouw?’ vroeg ze. ‘Ik weet het niet.’ May Lacey schudde aangedaan het hoofd toen Nora de voorkamer betrad. ‘Nora, ik heb gewacht tot nu.

Ik heb er geen woorden voor hoe erg ik het vind van Maurice.’ Ze gaf Nora een hand en hield die even vast. ‘En hij was nog zo jong. Ik kende hem als jochie al. We kenden hem allemaal in Friary Street.’ ‘Doe je jas toch uit, dan gaan we naar de achterkamer’, zei Nora. ‘De jongens zijn met hun huiswerk bezig, maar zij kunnen hier gaan zitten en het elektrische kacheltje aandoen. Ze gaan dadelijk toch naar bed.’ May Lacey kwam tegenover Nora in de achterkamer zitten en stak van wal; er piepten dunne sliertjes grijs haar onder haar hoed vandaan en ze had haar sjaal nog om. Na enige tijd gingen de jongens naar boven; Conor was te verlegen om beneden te komen en welterusten te zeggen toen Nora hem riep, maar kort daarna kwam Donal bij hen in de kamer zitten; hij nam May Lacey aandachtig op, maar zei niets. 

Het was inmiddels duidelijk dat er geen ander bezoek zou komen. Nora was opgelucht dat ze geen visite kreeg van mensen die elkaar niet kenden of van mensen die elkaar niet mochten. ‘Maar hoe dan ook,’ vervolgde May Lacey, ‘Tony lag in het ziekenhuis in Brooklyn en toen kwam er een man in het bed naast hem; ze raakten aan de praat, en Tony wist dat het een Ier was en vertelde hem dat zijn vrouw uit het graafschap Wexford kwam.’ Ze zweeg even en kneep haar lippen samen alsof ze zich iets probeerde te herinneren. Ineens imiteerde ze een mannenstem: ‘“O, daar kom ik ook vandaan”, zei de man, en toen zei Tony dat ze uit Enniscorthy kwam; “O, daar kom ik ook vandaan”, zei de  man. En hij vroeg Tony uit welk deel van Enniscorthy ze kwam, en Tony zei dat ze in Friary Street had gewoond.’ May Lacey hield haar ogen op Nora’s gezicht gericht en dwong haar zo belangstelling en verbazing te laten blijken. ‘En toen zei de man: “Daar kom ik ook vandaan.” Is dat niet bijzonder?’ Ze zweeg verwachtingsvol. ‘En hij vertelde Tony dat hij, voordat hij was weggegaan uit de stad, zo’n ijzeren ding had gemaakt – hoe noem je zoiets? – een sierscherm of een rooster op de vensterbank bij het huis van Gerry Crane. En ik ben gaan kijken en, ja hoor, dat zit er echt. Gerry wist niet hoe het daar gekomen was of wanneer. Maar de man in het bed naast dat van Tony in Brooklyn zei dat hij het gemaakt had, hij was lasser. Is dat geen toeval? En dat in Brooklyn.’ Toen Donal naar boven verdween, ging Nora theezetten. Die nam ze mee naar de achterkamer op een dienblad met koekjes en cake. Toen het geredder met de theespullen gedaan was, nam May Lacey een slokje en praatte verder. ‘Bij mij thuis liepen ze natuurlijk allemaal weg met Maurice. In hun brieven vroegen ze altijd naar hem. Hij was bevriend met Jack voordat die wegging. En Maurice was natuurlijk een geweldige leraar. De jongens keken tegen hem op. Ik hoorde niet anders.’

In het vuur starend probeerde Nora te bedenken of May Lacey al eens eerder bij haar thuis was geweest. Ze dacht het niet. Ze kende haar al haar hele leven, zoals zo veel mensen in de stad, die je groette en met wie je beleefdheden uitwisselde of een praatje bleef maken als er nieuwtjes waren. Ze kende haar levensverhaal tot op haar meisjesnaam en de plek op het kerkhof waar ze zou worden begraven. Nora had haar een keer horen zingen bij een concert; ze herinnerde zich haar schrille sopraanstem – het was ‘Home, Sweet Home’ geweest of ‘Oft in the Stilly Night’, een van die liedjes. En dan het besef dat er nog 375 bladzijden Nora op ons liggen te wachten!

 

DECEMBER

 

Een heerlijk, luisterrijk, ontwapenend, verrassend, speels, ludiek arsenaal heb ik voor u. Anders gezegd: een oldtimer die gewoon up to date blijft. Want zo goed, gul, warm en wonderlijk is de bloemlezing van een grande dame uit onze literatuur. Het gaat om het zestig bladzijden tellende December van Annie M. G. Schmidt en van Em. Querido’s Kinderboeken Uitgeverij met de ondertitel ‘Winterse versjes en verhalen’. Op de hardcover ziet u een sfeerverhogende illustratie van Charlotte Dematons die met collega’s ook in de bundel haar opwachting maakt. Een maand terug mocht ik bij u introduceren ‘Het grote ‘De geit van dokter Sanders’ dierenvoorleesboek’ van Annie M.G. Schmidt - de Nederlands dichteres en schrijfster van verzen,  liedjes, boeken, toneelstukken, musicals en  radio- en televisiedrama – die sinds haar verscheiden in 1995 nog immer met haar boeken onder ons is. Wij mogen ons gelukkig prijzen dat de huidige generatie jonge lezers naar vorm en inhoud van de verbale creaties van Schmidt kunnen blijven genieten.

Annie M.G. Schmidt behoeft bij jong en oud geen nadere introductie. Zij is alom gekend en geliefd. Vandaar dat ik nu kan volstaan met de tekst van de omslag, met de opgave van de inhoud en het integraal doorgeven van het eerste ver ‘De tandarts houdt een winterslaap’. Onze drie jongste kleinkinderen Fien, Daaf en Guus zullen de lopende maand december en de maanden lang daarna blijven genieten van de woorden en beelden uit de bundel ‘December’. Van Schmidt en Dematons en de haren.

De uitgever Querido: ‘December is de feestelijkste maand van het jaar. Vier Sinterklaas met Jip en Janneke, ga het ijs op met Beertje Pippeloentje en lach om de Kerstman die van zijn vrouw in bad moet voor hij cadeautjes gaat brengen. En lees gauw hoe het afloopt met het paard van Sinterklaas, dat vlak voor pakjesavond plotseling naar het ziekenhuis moet... In deze winterse bundel zijn de leukste, gekste en bijzonderste verhalen en versjes van Annie M.G. Schmidt gebundeld. Over cadeautjes, kerstbomen, oliebollen en spetterend vuurwerk. Om voor te lezen of om zelf te lezen. Met hartverwarmende illustraties van Charlotte Dematons, Martijn van der Linden, Fleur van der Weel, Sylvia Weve en natuurlijk Fiep Westendorp.’

De inhoud: De tandarts houdt een winterslaap, Wie kan het mooiste tekenen?, Hennie Hakkeprak, Sinterklaas in de storm, Liedjes zingen, Schimmel was ziek, Sinterklaas komt, IJs, Een sneeuwman met een bezem, Nicolaas Eduard Rammenas, De koning wou gaan schaatsenrijden, Naar het circus, Sebastiaan, Een kleine kerstboom, De kerstman in ‘t bad, De boom van Janneke, De lapjeskat, Het verwaande lichtje, Oudejaar, Luchtpost voor dieren, Het vrouwtje in de Peel, Een nieuwe kalender. Dus mijn devies: meer dan twintig keer genieten!

De tandarts houdt een winterslaap

De tandarts L.J.Langejaap
houdt in de winter een winterslaap,
hij slaapt al vertien weken.
Hij mompelt alleen zo ’s morgens vroeg:
Katrien, ik heb weer geen dek genoeg,
dan krijgt hij nog een deken.

De mensen met een zere kies
(er zijn er negenentachtig precies)
staan op de deur te bonken.
Zij gooien met kiezeltjes tegen de ruit
en roepen: Zeg, komt hij er nog niet uit?
En de tandarts blijft maar ronken.

Want voor hij ging slapen, toen heeft hij gezegd:
’t Komt later allemaal wel terecht,
en niemand mag mij wekken.
Ik blijf in mijn bed zo lang als ik wil.
Je mag me pas roepen op zeven april
dan ga ik weer kiezen trekken.

Zo staan al die mensen dan voor de deur
en raken verschrikkelijk uit hun humeur
en roepen: Het is een schande!
Maar tandarts L.J.Langejaap
blijft sluimeren in zijn winterslaap
en droomt niet eens van tanden.

En wat men ook zegt en wat men wil,
de wekker staat op zeven april:
(het is een winterslaap-wekker)…
Maar één is er blij en tevreden: ja,
de kleine Jacobus, hij denkt: Aha,
ik hoef dus nog niet. Lekker!

Uit: Ziezo van Annie M.G. Schmidt

TWAALF BERICHTEN UIT DE WERELD VAN DE FICTIE, VOOR DE KERST EN LANG DAARNA


Twee maal gaf ik u werken uit het non-fictieve genre door die het in 2015 en volgende jaren het goed bij u zullen doen. Nu reik ik u twaalf titels van publicaties uit de fictieve sector aan. Ik citeer de tekst op de flap van de uitgever en aan u is het te traceren of - zeg maar het thema - u aanspreekt. Over de vorm waarin het twaalftal vervat hoeft u niet in te zitten, want de onderhavige uitgeverijen staan daar voor in. Het lijkt mij een prima idee over dit dozijn met elkaar begin januari onze leeservaringen uit te wisselen. Een leesvriendelijke winter zit wis en waarachtig in het verschiet. Het gaat om:

Verraders – Giorgio Scerbanenco – Serena Libri – 254 blz.
‘Milaan, een kanaal, een mistige nacht. 'Ik ga even een sigaret roken,' zegt ze en ze stapt uit de auto. Achterin de Fiat 1300 zit een ouder koppel, volgevreten en weerloos. Een duw. De auto glijdt het kanaal in en zinkt. Zij zijn niet de enigen die verdrinken. Onderhuids in het ogenschijnlijk vredige Milaan woedt een gewelddadige handel in drugs en seks en wapens.
De zelf niet al te vredelievende Duca Lamberti vindt de verbanden tussen de handel en de moorden.’

Tascha – De roof uit de Kunsthal – Mira Feticu – Jurgen Maas – 192 blz.
‘Tascha, de vriendin van de hoofdverdachte van de Kunsthalroof, gaat samen met de Nederlandse politie naar Roemenië. Het is een laatste poging om de gestolen schilderijen terug te vinden. De Roemeense politie heeft al verdachten in de zaak gearresteerd, maar de schilderijen blijven spoorloos. De zoektocht onthult ook een ander verhaal: dat van Tascha, die in Nederland haar lichaam verkoopt. Tascha is een roman over 'de kunstroof van de eeuw', de diefstal van zeven kostbare schilderijen uit de Rotterdamse Kunsthal. De kunstwerken zijn waarschijnlijk door de moeder van de hoofdverdachte in Roemenië verbrand.’

Koken voor de keizer – Marloes Morshuis – Lemniscaat – 216 blz.
‘De elfjarige Mick moet koken voor zijn leven. Zeven dagen lang moet hij iets maken wat keizer Linus I van het eiland Minelotte lekker vindt. Probleem: de keizer lust niets. Sinds de oude koning dood is, regeren de keizer en zijn raadsheer Minelotte met harde hand. Protesteren is gevaarlijk: voor je het weet zit je gevangen op de Witte Rots, een kaal eilandje voor de kust.
Als Mick in de problemen komt, gaat hij een weddenschap aan met de keizer. Wint Mick de strijd op leven en dood, dan redt hij niet alleen zichzelf maar ook alle mensen die zijn verbannen. Verliest hij, dan wacht hem een gruwelijke straf… Koken voor de keizer is een spannend boek over kinderen die zichzelf moeten redden, over eten zoeken in de natuur en vissen vangen uit de zee - en over intussen ook je ouders missen. Leuk detail: de recepten die Mick maakt, zijn opgenomen achterin het boek!’

In goede handen – Robbert Wellagen – Nijgh & Van Ditmar – 160 blz.
‘Vader worden of geen vader worden? Met deze vraag worstelt Erik Bergmans, illustrator en al vier jaar gelukkig samen met zijn vriendin. Het moment is daar. Maar zal een kind bij hem in goede handen zijn? Was hijzelf als kind in goede handen? Deze vragen komen op scherp te staan als hij op station Amstel tijdens het spitsuur een man ziet lopen die als twee druppels water op hem lijkt. Met zijn fiere tred, dure stropdas en aktetas is de man een andere, ‘betere’ versie van hemzelf. Is de gelijkenis maar optisch bedrog of is er meer? Om daar achter te komen, besluit hij zichzelf te volgen. ‘In goede handen’ is een ontroerend en beklemmend verhaal over familie, identiteit en herinnering.’

Het uur van Zimmerman – Karolien Berkens – Lebowski Publishers – 176 blz.
 ‘Loet Zimmerman denkt in acht blokken van vijftig minuten. Hij heeft veertig jaar als roostermaker op een middelbare school gewerkt en gaat met pensioen. Op de avond van zijn afscheid berooft een jongen hem van zijn horloge. Deze gebeurtenis werpt zijn gestructureerde bestaan omver en voert hem terug naar een weggestopt verdriet: het verlies van zijn vrouw Lucy. Zimmerman raakt ervan overtuigd dat zijn overvaller het nog steeds op hem gemunt heeft. Als zijn zoon noch de politie hem wil helpen, ziet hij zich genoodzaakt het heft in eigen handen te nemen. Het uur van Zimmermann is een verhaal over een man die door een ongelukkige samenloop van omstandigheden gedwongen wordt om een verlies onder ogen te zien dat hij altijd zorgvuldig heeft weten weg te drukken.’

Zeewee – Marie Darrieussecq – Studio 3005 – 112 blz.
‘Darrieussecq is gefascineerd door de tussenwereld, de grens tussen de werkelijkheid en het fantastische. Daar houden zich schimmen op, maar daar kunnen mensen ook ineens zomaar verdwijnen. Dat vaste en vervloeiende gebied bestrijkt zij in haar romans. Over die tussenwereld zegt ze zelf: ‘De woorden bevinden zich in die onbepaalde ruimte tussen wat je voelt en wat je wilt benoemen. De woorden zijn schimmen tussen twee zinnen. Wanneer je schrijft begeef je je in een tussenwereld, waar niets vaststaat en alles mogelijk is, waar niet-vaste stof en gewaarwordingen rondwaren. De wereld van de verbeelding is die tussenwereld.’ Zeewee is het verhaal van een verdwijning. De lezer reist mee met een jonge vrouw die op een dag haar dochtertje na school bij haar moeder ophaalt en dan niet naar huis rijdt, maar naar het zuiden, naar zee. Ze nemen hun intrek in een flat in een badplaats die veel weg heeft van Biarritz buiten het seizoen. Aan de onzekere grens tussen water en land kan het fantastische het leven binnendringen. Het perspectief wisselt voortdurend tussen de personages. Dat alles als het af- en aan rollen van de zee, die zwelt en krimpt, buldert en stil is.’

Wolfskwint – De geschiedenis van een gestoord gezin – Bibi Dumon Tak – Athenaeum-Polak & Van Gennep – 206 blz.
Wolfskwint is het op waarheid gebaseerde verhaal van Steffie, een van de eerste vrouwelijke pianostemmers van ons land. Het geeft een onthutsend beeld van een verwoest leven, en van de wereld van de psychiatrie in het Nederland van niet eens zo heel lang geleden. Steffies oudste herinnering is dat haar moeder een suikerpot naar haar vaders hoofd gooit. Andere herinneringen aan haar zijn getekend door elektroshocks, tranquillizers en spanlakens. Ze groeit op met haar vader omdat haar moeder in een gesticht zit, waar ze de rest van haar leven zal blijven. Als ze volwassen is sterft haar moeder. Steffie gaat op zoek naar haar verleden en ontkomt er niet aan het verleden van haar moeder onder ogen te zien, en de rol die haar vader en zijzelf daarin hebben gehad. Was haar moeder wel zo gestoord als ze altijd gedacht heeft? Dan krijgt ze een schokkend psychiatrisch dossier in handen dat nooit voor haar ogen bestemd was.’

Amba of de kleur van rood – Laksmi Pamuntjak – Xander – 416 blz.
‘1965. De straten van Indonesië¨ kleuren rood van bloed. Soeharto is aan de macht en angst en wantrouwen overheersen. Tijdens een gewelddadige rel worden twee geliefden, Amba en Bhisma, uit elkaar gedreven. Amba, die zich ontworsteld heeft aan haar traditionele familie, denkt dat ze Bhisma, een begaafd en sensitief arts, voorgoed is verloren. Ze begint een nieuw, maar betekenisloos leven zonder hem. Niet los kunnen komend van haar herinneringen, gaat Amba jaren later op zoek naar haar grote liefde. In de voetsporen van Bhisma vertrekt ze naar het eiland Buru. Daar, onder de bayanboom, liggen brieven van hem aan haar begraven. Eindelijk vindt Amba de antwoorden op vragen die haar zo lang hebben gekweld. In Amba of de kleur van rood weeft Pamuntjak een meesterlijk web van traditie, mythes en werkelijkheid. Een hartverscheurend beeld van een jonge natie en haar bewogen twintigste eeuw, zwervend van kolonialisme naar onafhankelijkheid, dictatuur en democratie.’

Gelittekende harten – Max Blecher – Vrijdag – 236 blz.
‘Vijfduizend patiënten met bottuberculose liggen in Berck in het gips en wachten op hun genezing. De gruwelijke ziekte kiest bij voorkeur gewrichten uit – wervels, heup, knie – die meteen worden geïmmobiliseerd. De zieken liggen languit in hun karretjes en bedden, verloren in dagdromen, verzonken in eindeloze lectuur of onthecht in de oneindige contemplatie van de onmetelijkheid van de oceaan.’ In deze autobiografische roman schetst Max Blecher van binnenuit de wereld van terminale patiënten. Zijn alter ego, Emanuel, komt in een wereld terecht die niet meer aan de levenden toebehoort, en nog niet aan de doden – het is de wereld van de ‘ondoden’, in het kuuroord Berck-sur-Mer, de ‘stad der verdoemden’.

Eén nacht, Markovitsj – Ayelet Gundar-Goshen – Meridiaan – 368 blz.
‘Twee mannen steken de Middellandse Zee over om met een vrouw te trouwen die ze niet kennen, om hun zo de vlucht uit het nationaalsocialistische Europa mogelijk te maken. Zeëv Feinberg, schuinsmarcheerder en trotse eigenaar van een enorme snor, beschouwt dit inderdaad meteen al als een nephuwelijk: hij verlangt naar zijn meisje thuis, dat zo lekker naar sinaasappels ruikt. Uitgerekend de onopvallende Jacob Markovitsj treft de beeldschone Bella. Eenmaal terug in Palestina weigert hij Bella de van tevoren afgesproken scheiding, en zijn schijnhuwelijk wordt een levenslange obsessie. Voor beiden. Eén nacht, Markovitsj mengt op briljante wijze persoonlijke levens en wereldgeschiedenis in een onvergetelijk verhaal. Een psychologisch meesterstuk, tjokvol originaliteit en weergaloze humor. 'Honderd jaar eenzaamheid tussen de sappige sinaasappels, knoestige olijfbomen en kiezelige rivierbeddingen van Israël.' - La Repubblica 'Dodelijk treurig en oerkomisch.' - Neue Zürcher Zeitung’

Zo zijn wij niet – Janneke Holwarda – Marmer – 350 blz.
‘Het is midden jaren vijftig. Op de plaats waar ooit een meer lag wordt een nieuwe wijk gebouwd: Warmeer. Een moderne wijk, ruim van opzet, met veel groen en doorzonwoningen. De bewoners van de Veenstraat nemen hun intrek. Een blinde pianoleraar zingt vreemde liedjes, een meisje wil liever een jongen zijn, twee zussen dromen van het echte leven in een bruisende stad. In een van de achtertuinen bouwt een man een zeewaardig schip. Er rijdt een bed op wielen door de straat, damesondergoed verdwijnt van een waslijn en achter de schuurtjes zoent een tienermeisje met een onguur type. Over de heg, bij de kar van de bakker, in de rij bij de slager en in de wachtkamer van de dokter wordt naar elkaar gekeken, over elkaar gedacht, gefluisterd en geoordeeld. Iedereen prijst zichzelf gelukkig dat hij niet zo is. Janneke Holwarda groeide op in de eerste nieuwbouwwijk van Emmen in de jaren zestig. In Zo zijn wij niet beschrijft ze het wel en wee van gewone mensen in negen doorzonwoningen in een gewone straat, in de context van een tijd van hoop, wederopbouw, verzuiling en verandering. Ze wisselt het perspectief van de bewoners - hun heden, verleden en toekomst(dromen) - steeds af met het commentaar van de buren.’

De sprong naar Normandië – Anke Manschot – Brandt – 352 blz.
’ De Tweede Wereldoorlog is in volle gang. Dave, een verlegen Amerikaanse jongen, wil dolgraag dat het weer vrede wordt. Hij laat zich door zijn beste vriend Joey overhalen om parachutist te worden bij Airborne, een nieuw onderdeel van hun leger. Na een zware training, ver van huis, staan hij en Joey voor een levensgevaarlijke opdracht. Ze moeten in de nacht van D-Day op Normandië springen en meehelpen Europa te bevrijden. Zal Dave zijn vriendin, op wie hij stapelgek is, ooit terugzien? Een jeugdboek over oorlog, angst en verdriet, maar ook over vriendschap, liefde en moed. Gebaseerd op waargebeurde verhalen van Amerikaanse parachutisten in de Tweede Wereldoorlog. Anke Manschot schreef als tiener voor de kinderpagina van De Gelderlander. Na haar studie geneeskunde en de School voor de Journalistiek werkte ze als arts en freelance-journalist. Daarna was ze 26 jaar (eind)redacteur bij maandblad Opzij. Voor De sprong op Normandië verdiepte ze zich in Amerikaanse parachutisten die op 6 juni 1944 boven Noordwest-Frankrijk werden gedropt en een paar maanden later boven Zuid-Nederland.’