Ik werd voorbije week attent gemaakt op een roman die mij meteen in de ban had doordat hij mij deed denken aan het werk van een literaire reus van destijds. Het eerste stuk met de titel ‘Donderdag’ bracht opnieuw in mijn herinnering de boeken van Antoon Coolen en dat niet alleen door het hanteren van de personages als pastoor en dokter van een dorp, maar ook door het beschrijven van de couleur locale, het spelen met trucs als vooruitwijzingen, verstolen humor en auctoriale vertelinstantie. Ik leg voor u neer op de leestafel de 254 bladzijden tellende paperback Het vergeten seizoen van Peter Delpeut en Atlas Contact. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik voor ons een recensie-exemplaar aanvroeg voor de laatste creatie van de cineast Delpeut In het zwart van de spiegel en dat ik gewezen werd op een heruitgave van de in 2007 verschenen bestseller Het vergeten seizoen (…voor 12,50 euro).
In mijn jaren op de HBS, Nutsacademie en Rijksuniversiteit nam ik de zogenoemde streekromans van Antoon Coolen (1897-1961) met veel genoegen tot mij en ik beijverde mij bij examens, spreekbeurten, recensie en lessen aan te tonen dat Antoon Coolen geen streek- maar literaire romans debuteerde. Ik houd van een goed verhaal liefst in mooie taal vervat. Delpeut reikt zo’n creatie aan, niet in navolging van Coolen maar wel in diens verhaaltrant in een nieuwe, zeg eigentijdse outfit. Dorp aan de rivier in een andere versie. Als binnenkomer voor mijn citaat geef ik u de tekst van de uitgever op de omslag.
Atlas Contact: ‘Midden negentiende eeuw. Pastoor Peters wordt door zijn bisschop verzocht een wonder te onderzoeken. In een Gelders gehucht ontvangt het jonge meisje Lidia de stigmata van Jezus: haar handen en voeten bloeden. De straatarme dorpsbewoners aanbidden het meisje, maar de plaatselijke arts vermoedt listige misleiding. Hij weet de pastoor over te halen Lidia op de proef te stellen. Tegen de wil van het hele dorp in gaat pastoor Peters op zoek naar de waarheid. Met Het vergeten seizoen heeft cineast en essayist Peter Delpeut in één klap bewezen een geweldige romanschrijver te zijn: het plezier van het schrijven, het schilderen van landschappen en personages, spat van elke pagina. De schaatstocht van pastoor Peters door een winters Gelderland is een parel van vertelkunst.’
Peter Delpeut: ‘Donderdag - De haan kraaide voor de tweede maal. Pastoor Peters sloeg er geen acht op. De strookjes krantenpapier vroegen zijn volledige aandacht. Iemand probeerde het profijt van een spoorlijn tussen Arnhem en Zutphen aan te tonen. Het breedvoerige betoog paste al niet binnen de grenzen van een normaal krantenartikel, laat staan in de puzzel van ruw gehalveerde kolommen die hij nu tot een geheel probeerde te smeden. Hier in Holland schreef men over spoorwegen zoals een middeleeuws theoloog over godsbewijzen. Ieder argument voor of tegen werd gewogen, weerlegd, genuanceerd, hernomen en wat niet al. Hij was tegen die spoorlijn. Hij was simpelweg tegen alles wat harder ging dan zijn eigen voeten. Pastoor Peters overwoog de huishoudster te vragen in het vervolg de kranten precies tussen de kolommen in reepjes te scheuren. Dan hoefde hij voordat hij zijn achterste ermee schoonveegde, zich niet het hoofd te breken over wat ‘schrijver dezes’ van ‘het geweldige vraagstuk der spoorverbindingen’ vond. Het zou natuurlijk nooit over zijn lippen komen, net zo min als de vraag of de zitplank van het gemak geschuurd kon worden. Hij durfde zich nauwelijks te bewegen, bang dat er een splinter in zijn bil zou blijven steken. Zijn zachte blanke huid moest die paar weken op dit ongemakkelijke privaat maar overleven.
De deur van de keuken die uitgaf op de achtertuin werd geopend. Dat moest de huishoudster zijn. Pastoor Peters probeerde zich haar naam te herinneren. Gisteravond had hij bij het vale licht van de olielamp nauwelijks aandacht aan haar geschonken, zelfs haar gezicht kon hij zich niet voor de geest halen. Hij liet zich er graag op voorstaan goed te kunnen kijken, maar hij reserveerde die eigenschap liever voor de contouren van een landschap dan voor de lijnen in een gezicht. Nu moest hij een manier bedenken om achter haar naam te komen. Dag één, probleem één, terwijl de zon nog maar nauwelijks op was. De slepende tred van de vrouw kwam naderbij. Zou ze begrijpen dat hij hier zat? Hij schraapte zijn keel. De huishoudster hield stil. Je kon het ritselen van de bladeren in de boomtoppen horen. Op een van de boerenerven besteeg een haan zijn eerste kip van die dag. Hij schraapte nog eens zijn keel, het werd niet meer dan een halfhartig kuchje. De huishoudster keerde terug naar de keuken. De deksel op de po die zij klaarblijkelijk had willen legen, klepperde als een leprozenratel.
Pastoor Peters had zich ook op zijn kamerpot kunnen zetten. In de veiligheid van zijn slaapkamer kon hij zich ongestoord ontlasten. Maar hij prefereerde het buitenprivaat. Hij wilde de uitwaseming van zijn rottende uitwerpselen niet in het huis verspreiden. Een po was een beschamend ding, vond hij, er waren zaken in het leven die beter ongezien konden blijven. Direct na aankomst had hij zich al van de ligging van het privaat op de hoogte gesteld. Achter in de tuin, waarschijnlijk recht boven de beerput, eenvoudig voor de bouwer, minder prettig voor de gebruiker. Zolang het nazomerende weer aanhield hoefde zijn ochtendritueel in niet al te grote kou te worden afgewikkeld, maar het kleine houten bouwsel lag er nogal onbeschut bij, een beetje winterbui zou er dwars doorheen slaan. Lang kon hij hier niet blijven, de constipatie stond het niet toe. Hij wreef met zijn vlakke hand over zijn buik. De onverwachte verschijning van de huishoudster had de boel daarbinnen stilgelegd. Misschien had hij gisteravond toch iets moeten eten. De reis had hem weliswaar verkwikt, maar zijn ongedurig gemoed hield niet van arriveren. Veel langzamer had hij trouwens niet kunnen reizen, hij was al een week eerder verwacht.
Met grote zorgvuldigheid had hij de dienstregelingen van trekschuiten en diligences bestudeerd en er een indrukwekkend labyrint door Holland, Utrecht en Gelderland mee getrokken. Vaarten en wegen had hij in oneigenlijke combinaties aaneengeregen. Hier en daar een paar dorpen en gehuchten zelfs te voet aangedaan – ach, zijn grote passie voor de wandelende mens! De Rijnspoorweg, die hem in een halve dag tot bij Arnhem had kunnen brengen, had hij zorgvuldig gemeden. Haast is een zonde. Een idee dat ten onrechte niet door de Heilige Moederkerk was opgepikt, vond hij. De huishoudster scharrelde opnieuw achter het huis. Wilde de inhoud van zijn buik zich de komende weken niet als een versteende meelbal in hem vastzetten, dan zou hij vanaf morgen een uur eerder moeten opstaan. Pastoor Peters legde het stapeltje krantenpapier naast zich neer en liet de spoorweg Zutphen-Arnhem voor wat hij was. Vandaag was alles gestremd, hij zou een extra dosis gedroogde pruimen nemen, misschien toch nog eens de siroop uitproberen. Als de huishoudster nu maar snel naar binnen wilde gaan dan kon hij het privaat verlaten. Hij luisterde aandachtig naar de minieme geluiden en probeerde er een visueel patroon in te ontdekken. Voetstappen op het smalle stoepje, het grind, zandpad, een zacht jankende poort (vertrok ze?), opnieuw de keukendeur (wie was er dan bij de poort?), weer voetstappen op het grind, het lichte ploppen van schoenzolen op de dauwnatte ondergrond van het paadje naar het privaat. ‘Jan!’ De stem van de huishoudster kwam onmiskenbaar vanuit de keukendeur. Er was een tweede persoon in de tuin. Op weg naar het privaat. Het kon hier toch geen openbare voorziening zijn? De voetstappen hielden stil. Opnieuw kon hij het ritselen van de bladeren horen. En zijn eigen ademhaling. Jan keerde om. Voetstappen, grind, poort (de hengsels konden wel wat olie gebruiken), klink van de keukendeur. Pastoor Peters ontspande zijn buik, duwde zijn hoofd naar achter, rekte zich even uit en in één vloeiende, opluchtende beweging gleed zijn ontlasting naar buiten.’

Over dit heerlijke boek kan ik kort zijn, het werk is immers van dezelfde auteur van de roman Tsjaikovkistraat 40, waarover u en ik vorig jaar zo vol lezersvreugde waren. Nu gaat het om 25 vertellingen, die stuk voor stuk het lezen meer dan waard zijn, Het gaat immers om een zalige mix van persoonlijke ervaringen in den vreemde, van boeiende informatie over een ver land, van scherpe observatie en van milde humor. Ik heb het over de 416 bladzijden tellende hardcover Een dame in Kislovodsk van Pieter Waterdrinker’ en Nijgh & Van Ditmar met de ondertitel ‘En andere Russische vertellingen’. Inderdaad, de auteur met geboortejaar 1961, was dit seizoen te gast in het tv-programma ‘Zomergasten’ van Janine Abbring.
Om u de rijke taalvaardigheid en de forse informatierijkdom van Waterdrinker te illustreren geef ik u het beginfragment van het titelverhaal en dat laat ik voorafgaan door de tekst op de site van de uitgeverij. U herkent het magnifieke werk door een illustratie op de wikkel: Prinses Zinaida Joesoepova door Valentin Serov te zien in het Joesoepovpaleis in Sint-Petersburg. Een voorlopig laatste notitie van mij: Waterdrinker lezen is het gemoed versterken, de geest verruimen en de brein een impuls aanreiken.
Nijgh & Van Ditmar: ‘Behalve auteur van grote, panoramische romans is Pieter Waterdrinker een begenadigd schrijver van korte verhalen. Een dame in Kislovodsk is een selectie uit de bundels Kaviaar en ander leed, Montagne Russe en De correspondent, die Waterdrinker de afgelopen jaren schreef. Tevens zijn er verhalen opgenomen die niet eerder werden gebundeld. Waterdrinker verhaalt onder andere over de hilarische pogingen van de KGB om hem te werven op het eiland Rhodos, beschrijft hoe zijn homoseksuele buurman in Moskou tevergeefs de liefde zoekt, laat bijna het leven bij een overtocht in een veerbootje op de Zwarte Zee, en schetst een onvergetelijk portret van Dick Advocaat, in de tijd dat hij als trainer werkte in Sint-Petersburg.
Pieter Waterdrinker: Een dame in Kislovovodsk - Als wanhopige havenwerkers op zoek naar werk, hun karmijnrode kuurboekjes zwaaiend omhooghoudend, verdringen de gasten zich bij de balie waar ‘de procedures’ voor die dag door drie zustertjes worden vergeven: de een gaat naar fysiotherapie, de ander heeft een leverscan, een derde – het nerveuze stemgeschal klinkt als op de Albert Cuyp in Amsterdam – wordt over tien minuten verwacht voor een vaginale behandeling met moddertampons. Als extraatje krijg ik ook te weten welke aandoening het betreft: chronisch ontstoken eileiders. Even later zit ik op een lange gang, als in een ziekenhuis. Om preciezer te zijn: sanatorium Solnetsjni (‘Zonnige’), een van de vierenzestig sanatoria, rusthuizen en hotels die Kislovodsk, het Baden-Baden van Rusland, herbergt is feitelijk een ziekenhuis. Alleen lopen de kuurgasten er rond in strandkleding, op teenslippers, met gebruinde armen en benen, hun kinderen vaak in slierten achter hen aan – eveneens met kuurboekjes. Alsof ziekzijn en genezen een zalige bezigheid is uit de wereld der volwassen, die men niet jong genoeg kan leren.
Ik wacht voor het kabinet van hoofdarts Irina Borisovna. Een blondine van dertig slentert voorbij. Een getatoeëerde boa constrictor duikt vanaf haar blote linkerdij met zijn kop het geel in van haar badstoffen broekje. ‘Dima, waarom loop je achter me aan?’ zegt ze tegen de kleuter in T-shirt met i love dubai erop, die haar volgt. Ze houdt stil en draait zich om. ‘Ga naar de Vitobar, voor je zuurstofcocktail. Mama moet zich door de dokter laten epileren!’
De vijftiger op de stoel naast me draait zijn vogelkop een tel later geamuseerd naar me toe. ‘Waar komt u vandaan? Mijn naam is Vasili.’ Hij blijkt afkomstig uit een oliestadje in West-Siberië, is daar hoofdingenieur en verdient uitstekend. Ieder jaar vliegt hij met zijn gezin rond Nieuwjaar naar Thailand of de Maldiven. De twee weekjes kuren hier, betaald door zijn bedrijf, wil hij evenwel voor geen goud missen. Het lokale ijzerhoudende bronwater spoelt zijn leidingen, filters en pompsysteem – zoals hij het technisch stelt – schoon. Al tien jaar is hij bezig met een proefschrift. ‘Zal ik u eens wat vertellen?’ En hij vertelt: de aardolie, het goedje waarop deze planeet drijft, raakt helemaal niet op. Propagandataal van het grootkapitaal! Feitelijk wordt olie aangemaakt in de diepere aardlagen, een chemisch proces dat al vele honderden miljoenen jaren aan de gang is, en nog altijd doorgaat. ‘De aardbol is een levend organisme. Tappen we olie af, dan vult de aarde dat na verloop van tijd gewoon weer aan. Net als vroeger bloed na het aderlaten! En neemt u me niet kwalijk… U moet ook weleens… Nou ja, een wind laten… Net als de aarde. Dat is ons gas! Daar gaat mijn dissertatie over. De cirkel is rond meneer. Niet vierkant, maar rond! O, u bent aan de beurt…’
In de jaren vlak voor de revolutie reisde de Peterburgse beau monde in het voorjaar met de trein massaal af naar Kislovodsk, twee dagen sporen, om