27-08-2018

Jouw huid

Ik ga u een roman inloodsen door de eerste vier pagina’s onverkort aan u door te geven. U zult dan omarmd worden door het literaire proza dat klinkt als een klok. En wel zo dat u in heerlijke verleiding komt het boek in zijn geheel tot u gaat nemen. Het gaat om de 254 bladzijden tellende paperback Jouw huid van Jeroen Theunissen en De Bezige Bij. Opdat u het thema van het verhaal te weten komt, geef ik eerst de tekst van de uitgeverij op de omslag. Het spreekt voor zich dat wij over twee weken met elkaar hier de leeservaringen uitwisselen. Of u nu nog vakantie viert of de draad van het gewone leven weer opgepakt hebt: met Jouw huid zit u goed.

De Bezige Bij: ‘Hij een eurocraat, zij iemand zonder verblijfsvergunning. Hij lobbyt voor grote bedrijven, zij doet allerhande onderbetaalde klusjes. Hij een westerling, zij een Afrikaanse. Maar allebei komen ze van elders. Wanneer Griff en Ama een relatie krijgen, moeten ze heel wat twijfels en vooroordelen opzijzetten. Overwint liefde alles? Of gebruiken ze elkaar alleen maar even, tot ze de ander niet meer nodig hebben? En wat is dat met de stad waarin ze wonen?
Brussel, wereldstad tegen wil en dank, vol kunst en fijnstof, de ene dag vriendelijk en de volgende dag grimmig, met soms wat zon maar meestal met veel te dikke wolkenpartijen. In een sensuele, meeslepende stijl onderzoekt Jouw huid wat liefde en stedelijkheid in de eenentwintigste eeuw betekenen. Zijn wij allen wereldburgers geworden? Of verdwalen we alleen maar een beetje?’

Jeroen Theunisse: ‘Brussel, lente. Een windstoot, druppels komen binnen, en een lange man die je hier nog niet hebt gezien, met een overjas en een zwart rugzakje, verschijnt. Hij duwt een opgevouwen fiets voor zich uit, draagt een fietshelm. Je ziet dat hij niet past in deze verloren stadsplooi, aan dit plein zonder toekomst en zonder duidelijk verleden, met schilferende bomen, verveelde hangjongeren en wat verderop de drukke doorgangsweg. Hij past in een ander, beter en netter deel van de stad. Een man van veertig, denk je. De man is doorweekt, en hij oogt verbouwereerd, alsof de regen hem persoonlijk beledigd heeft. Je glimlacht naar hem omdat het van jou verwacht wordt, maar ook vanwege de situatie, onhandig en vreemd. Hij wordt door de stamgasten gemonsterd. Je probeert Napoleon nog tegen te houden, die opspringt, naar de natte bezoeker holt, hem uit zijn evenwicht brengt. Maar de man herstelt zich, kijkt rond, knikt iedereen afzonderlijk toe. Wanneer hij zijn overjas uittrekt, verschijnt een maatpak. De man aait Napoleon. Niet veertig, zie je nu, eerder dertig. Een man van dertig. Vijfendertig. Een man van vijfendertig.

Je sust Napoleon. Terwijl je de hond wegleidt, kijk je naar de man, die tussen de tafels en de puinzooi en de rariteiten een vrije plek zoekt. Man en hond lijken dezelfde ogen te hebben. Is hij een man die van honden houdt? Wanneer hij zijn jas over de stoel heeft gevouwen, zijn rugzakje naast de tafel op de grond heeft geplaatst en zijn platte haren heeft losgeschud, komt hij naar je toe en bestelt in het Engels een glas witte wijn. Zijn bleke hoofd, de mond als een streep en de rode vlekken op de wangen alsof hij urenlang geravot heeft. Borstelige wenkbrauwen, zelfde kleur als het hoofdhaar, ze lijken er door een kleuter opgeplakt. Er gaat kracht van hem uit, of misschien is het alleen zijn lengte. De man heeft een iets te nasale stem en loopt gebogen, alsof hij nog groter is dan hij is. Je zoekt de fles, voelt hoe het hete hondenlijf van Napoleon tegen je op schuurt, om aandacht fleemt, je hebt nu even geen tijd, hebt eigenlijk toch best wel tijd, zet de fles neer en liefkoost en streelt die harige massa, en wast achteraf je handen, de straal van warm water op je huid, je houdt ervan, of gewoon de handen te laten zakken, voorzichtig te dopen in het meestal lauwe maar soms toch nog hete afwassop. Die tintelende sensatie. In een hoekje zit de man op de oude cinemastoel onder de purperen bloempot met de hangplant waarvan de onderste bladeren als hij zijn rug recht zijn haren raken. Hij opent een laptop, legt naast die laptop een smartphone. Haalt een verfrommelde pet uit zijn jas, legt die daar weer naast. Lijkt even weg te dromen. Probeert zich een houding aan te meten maar slaagt er niet in. En je ziet dat hij acteert, ongetwijfeld met talent. Zijn maatpak glimt. Hij heeft de stropdas losgemaakt en voor zich bij de pet gelegd. Grijze pet, met ruitpatroon. Er nog naast die fietshelm. Hij stopt een bierviltje onder een poot om de tafel te stabiliseren.

Behalve Pierre, die hem in de gaten houdt, let geen van de stamgasten meer op hem, aanvaard is hij niet maar hij ziet eruit alsof hij niemand kwaad doet, en na de regen, denkt men, verdwijnt hij. Hij vraagt of er hier wifi is, een code voor de internettoegang, maar dit is niet zo’n hipsterkroeg, hier komen alleen mensen zonder werk of alleszins zonder laptop. Waarop hij je ongelovig aanstaart. En je lacht dus opnieuw, en haalt je schouders op, vervolgens lijkt ook hij te lachen, in een vertrouwelijk gebaar leg je een hand op zijn arm, omdat je hem gerust wilt stellen dat het oké is. Dat ook jij hier vreemd bent. Dat we hier allemaal vreemd zijn. Dat het zo is, in deze stad, dat het zo moet zijn, dat het goed is. En misschien omdat je hem mag. Je denkt aan hoe je hier passeerde, aan deze hoek. Maanden geleden, hoe je hier nog niet lang was, werk zocht in deze nerveuze stad, moeilijke dagen waren het, en dan dat lieve en eenzame dier liggend aan de deur, hoe je er een band mee opbouwde. Pepe die de habitués zelf hun drank liet pakken en meestal maar wat met een koffie verkeerd (‘café con leche’ noemt hij dat) in zijn fauteuil zat. Hij begon een gesprek. In die tijd was hij nog vriendelijk, zelfs charmant. Had hij geen werk voor jou? Poetsen en opdienen, op het café letten wanneer hij er niet is, zoals nu. Poetsen is het laagste, vindt mama. Misschien omdat je te lang in zijn buurt blijft staan, toont die nieuweling je iets op zijn smartphone, een foto van een standbeeld, een man en een vrouw die in een soort overwinningsgebaar een lantaarn omhoogduwen. ‘Hier wat verder,’ zegt hij. ‘Maakt u foto’s?’ ‘Soms.’ ‘Bent u journalist?’ ‘Nee.’ Hij glimlacht. ‘Mooie pet.’ Erg lelijk. ‘Dank je. Hij is van mijn grootvader geweest.’ Hij grijnst. Je laat hem. Wat weet jij van de gewoonten hier? Voor jou past die pet aan de wand tussen Pepe’s prullaria, de speren en de vazen, de harlekijnen en de marionetten, de schilderwerkjes en de beeldjes, de boeken, de Jamaicaanse vlaggen met hennepblad, de opgezette dieren en de fossielen, de prentkaarten, de kledingstukken, de discobal, de parkieten, de cactussen, de pin-ups... Pierre, op zijn vaste barkruk, vraagt: ‘Wat zei hij?’ ‘Dat de pet van zijn grootvader is geweest.’ ‘Aha.’ 

En je wandelt weer naar het raam, kijkt naar het grijze asfalt. Het water dat met zichzelf geen blijf weet, een punt zoekt waar het onder de stenen van de stad kan verdwijnen, in de grond en misschien in de rivier die hier gestroomd moet hebben, ooit, maar die nu langs onderaardse gangen naar buiten wordt geleid. Een rivier die jou fascineert, een onzichtbare rivier. Je gaat naar de bar om glazen af te wassen, tikt ritmes met een bierviltje. Na de eenzaamheid van de winter begint de stad jou te bevallen. De kakofonie en de rijkdom, het lawaai en de rust, de stank en de geur, de chaos en de mogelijkheden. De details. Af en toe werp je een blik op die nieuweling, hij intrigeert omdat de delen en het geheel niet passen, zijn ongeschoren kin en zijn perfecte bruinlederen schoenen, zijn ironische manier van doen en zijn trouwe ogen, het maatpak en het gepeuter in zijn neus, de pet en de fietshelm en de vouwfiets, grote slokken wijn en de concentratie waarmee hij werkt. Soms belt hij iemand of belt iemand hem, zo lijkt hij van het café zijn kantoor gemaakt te hebben en van de tafel, die op andere momenten vooral gebruikt wordt door de Spaanse vrienden van Pepe wanneer ze hun gefrituurde sardienen, gekocht bij de Griek naast de deur, komen opeten, zijn bureau. Blikken kruisen. Een koppige zon breekt de wolken, laat een groot blauw gat verschijnen, gerafeld aan de randen. De donkerte van die eerste winter, de neerslachtigheid, je wist niet wat je overkwam. Maar nu komt een prachtige overgang van een lichtrijke schoonheid die je in Accra nooit hebt meegemaakt. Alles op het plein glanst. In het blauwe gat bestudeer je de vliegtuigstrepen, tot het gat zich weer sluit, en het andermaal gaat regenen, waarna een nieuw gat verschijnt, waarna het andermaal gaat regenen. Er is veel tijd. Poetsen vijf euro per uur, opdienen ieder kwartier een euro. Plus fooien, had Pepe gezegd, maar die zijn er niet.’

Jouw huid

Pijn in het peloton

Op het moment van dit schrijven meldt mijn echtgenote dat de Elfstedenzwemmer Maarten van der Weijden vlak voor Dokkum zijn machtige durftocht gestaakt heeft. Volgens artsen was de moedige durfal te ziek om naar finish in Leeuwarden te halen. Na 55 uur en 163 kilometer maakte liggend in een vervolgboot het einde uit van die heldhaftige koers, die geld op moest brengen voor het bestrijden van kanker. Naast gevoelens van misselijkheid moet Van der Weijden ook te kampen hebben gehad met pijnen en pijntjes. Zijn collega-sporters doen over dat lichamelijk ongemak een boek open in de 320 bladzijden tellende, formidabel en indrukwekkend geïllustreerde paperback Pijn in het pelotonvan Pieter Cramer en Frans Bevers en van De Arbeiderspers met de ondertitel ‘13 beruchte blessures bij wielrenners & meer ellende’. Om de inhoud te schetsen geef ik u integraal de tekst van het eerste chapiter ‘Inrijden’. Maar eerst reik ik u de woorden van de uitgever op de omslag aan. Met u wil ik een volgende keer een tocht maken door dit boek dat er echt toedoet.

De Arbeiderspers: ‘Voor Pijn in het peloton baseren de auteurs zich op uitvoerige gesprekken met ervaringsdeskundigen, van wielrenners en artsen tot en met fotografen en koersdirecteurs. Vanuit verschillende perspectieven worden oorzaken en gevolgen van wielerleed besproken. Bloederige beelden die iedereen op het netvlies staan zijn voor de betrokken renner lang niet altijd de belangrijkste herinnering aan het leed. Wat weten we van de strijd van de coureur tijdens een langdurig genezingsproces? Kan hij terugkomen of besluit hij uiteindelijk zijn wielerloopbaan te beëindigen? Wanneer neemt de geest de pijn van het lichaam over? Pijn in het peloton is een hommage aan de soms onvoorstelbaar hoge pijngrens waarover wielrenners beschikken, het doorzettingsvermogen om het doel te bereiken en het geloof om altijd weer beter terug te komen. Het is een nagenoeg complete inventaris van alles wat er in het lichaam en de geest van een wielrenner fout kan gaan. In dertien hoofdstukken passeert – van hoofd tot voeten – een gevarieerde reeks blessures, ongemakken en ongelukken de wielerrevue. Een fascinerende combinatie van feiten, verhalen en analyses. Geïllustreerd met foto's van Klaas Jan van der Weij en Wouter Roosenboom (Pro Cycle Shots).’

Cramer en Bevers met hun ‘Inrijden’: ‘Het peloton jaagt over een rechte weg door een verder verlaten Frans bos. Gekromde ruggen met nummers rijden voor de camera uit. In een fractie van een seconde ligt een kluwen renners op de grond. Twee renners, onder wie de Belgische kampioen, ontworstelen zich aan de in elkaar gehaakte warwinkel van frames. Ze vervolgen hun tocht, zo snel mogelijk terug naar het voortjakkerend peloton, waarvan het staartje achter een verre bocht verdwijnt. ‘o, valpartij hier. Wat is dit nu toch?’ ‘Tulk staat erbij, Gesink staat erbij.’ De tv-reporters Dijkstra en Ducrot zijn in een ruk klaarwakker. De Fransman Angelo Tulik van Direct Energie is vlug overeind. Hij lijkt niet aangeslagen, praat in zijn microfoontje en bekijkt zijn rode fiets. De 37-jarige Manuele Mori ligt als een spartelend insect op zijn rug en kermt luid. ‘Oe, dit ziet er niet goed uit. Aerch… last van z’n rug.’ ‘Z’ n schouder’, corrigeert Ducrot. ‘Gesink gevallen, het zal toch niet waar zijn?’ ‘Het is waar.’ ‘Gisteren nog zo dicht bij etappewinst.’ ‘Die andere is Mori, de man die eergisteren mee was in de ontsnapping.’ ‘Gesink heeft ook pijn, hoor.’ De kopman van Lottonl-Jumbo doet in vertwijfeling stapjes naar links en rechts. En buigt en buigt, zijn handen in zijn zij gedrukt. Het is geen trage indianendans, maar een opkomend besef dat het weer eens goed fout zit in dat verdraaide lijf. Met een driftige zwenk stuurt Gesinks ploegleider de geel-zwarte volgwagen naar de kant van de weg. Kort overleg. Er wordt een te hoog opgetaste brancard het beeld in geduwd. Robert Gesink steunt erop, maar ziet geen kans er zelf op te stappen. Het peloton is al ver weg en heeft de pijn achtergelaten.

Zo gaat het steeds weer, een val of een tegenslag, hoe dan ook, het peloton raast voort en de pijn blijft achter. Pijn die talrijke fysieke, maar ook mentale gedaantes kent, stuk voor stuk uitgebreid beschreven in medische handboeken. Zo diep zullen we er niet op ingaan. Wij willen weten wat er in het hoofd en lichaam van de wielrenner omgaat bij alle mogelijke ellende die zich tijdens de uitoefening van zijn beroep kan voordoen, door valpartijen, overbelasting of ziektes. En hoe al die narigheid vervolgens wordt bestreden, Om daarachter te komen moet je bij de betrokkenen zelf zijn. ‘Er zijn een heleboel mensen die allerlei verhalen hebben over het is zus of het is zo. Maar je moet naar de mensen gaan die ’t hebben meegemaakt, niet die ’t van horen zeggen hebben, telt niet,’ benadrukt ex-wielrenner Rini Wagtmans. Het klinkt logisch, dus komen de renners aan het woord. En de mensen er dicht omheen, de behandelaars, de verzorgers, ploegleiders, de organisatoren, de verslaggevers en de naasten.

Is dit boek over blessures en andere ellende een naslagwerk zonder nepnieuws? Ja en nee. Ja, omdat alle beschreven malheur overzichtelijk per lichaamsdeel in hoofdstukken, van het hoofd afdalend naar de voeten, bijeen is gebracht. En nee, hoewel er tevens deskundigen en wetenschappers aan het woord komen, is het ook bij hen vooral de ervaring die hier telt. Er zijn omissies, ongetwijfeld ontbreken er pijnen en pijntjes. Enerzijds omdat wij er geen weet van hadden en anderzijds omdat er af en toe domweg ellende zo grondig uit de actualiteit de vergeethoek in rolt, dat niemand er meer over praat. Over de kniepeesproblemen bijvoorbeeld van onder anderen de Franse veelvoudige Tourwinnaar Bernard Hinault. Een euvel dat ontstond doordat renners met een te zwaar verzet de cols op reden, en dat nauwelijks nog een issue is sinds de toppers als Lance Armstrong en Chris Froome met een razend lichte tred de steilste hellingen op vliegen. Ze kregen vragen voorgeschoteld, de wielrenners. Wat, waar en hoe erg was jouw pijn? ‘Maar hoe kan je pijn uitleggen?’ reageerde ex-renner Maarten Ducrot. ‘Het is zo’ n mentaal concept. Iedereen zegt: ja je hebt pijn, maar dat durf je ook bijna niet te zeggen. Het ligt er maar aan hoe je ertegen aankijkt. Ik ben nu een grote melker, ik bedoel, ik kan niks hebben, auw…’ Het is het proberen waard, praten over pijn. Er loopt geen mens rond op deze aarde die nooit pijn heeft gekend. Toch is de herinnering eraan van korte duur. De intensiteit van de pijn ebt weg en is ook bij de ander niet zichtbaar. Ja, de kermende renner op de grond heeft pijn, het is hem aan te zien. En Robert Gesink loopt niet voor niks als een knikkende kraanvogel rond. Maar wie op de fiets stapt en de koers vervolgt, is aangeschoten wild. Er worden prestaties verwacht, want hij functioneert toch weer? Ex-coureur Peter Winnen legt uit in een column: ‘Ik herinner me dat tijdens week drie de pijn van vermoeidheid zich in lagen manifesteerde. Eerst is er de verzuring, bekend bij iedereen die weleens aan sport deed. Daaronder ligt een bijzonder geniepige maar basale uitputting, die vooral te maken heeft met een drooglopend hormoonsysteem. Je voelt je een droogkokende fluitketel; nee, je bent er een. De derde laag is een pijn die eigenlijk geen pijn doet, maar te maken heeft met een zenuwstelsel dat aan revisie toe is. De dagelijkse portie koersstress heeft het vernietigende werk succesvol verricht. Gek genoeg uitte zich dat bij mij persoonlijk in de gewaarwording van een afvallend gezicht. Een gezicht dat, om met Reve te spreken, veel weg had van een varkenslederen masker.’ De metamorfose van de pijn via diverse stadia die door euforie in genot verandert. Het komt allemaal aan bod in dertien hoofdstukken met een happy end.

PS- Overpeinzingen over persoonlijke ervaringen met pijn. De auteurs vormen geen uitzondering, ook zij kennen pijn, zowel mentaal als fysiek. Ook zij braken ledematen bij een val van de fiets:  Bevers zijn elleboog bij een duikeling over een ongeziene drempel in het wegdek en Cramer zijn heup in een iets te scherp genomen bocht. Het gebeurt, er zijn hobbels en kronkels in het leven. Het levert ervaring op en daar doe je iets mee, of niet, Soms tot in het extreme. De zanger Nick Cave verloor zijn zoon bij een ongeluk en zette zich de pijn verbijtend toch weer aan het klavier: Because someone’s gotta sing the stars And someone’s gotta sing the rain And someone’s gotta sing the blood And someone’s gotta sing the pain. Wanneer iemand moet over de sterren zingen, en over de regen. En iemand moet over het bloed zingen, en over de pijn. Die handschoen pakten we op. En op die ongeluksdag in juli raapte Angelo Tulik zijn BH Bike op. Reed de etappe uit en vervolgens de hele Tour. Manuele Mori’s schouder werd terug in de kom gezet, waarna de artsen in het ziekenhuis een gebroken schouder en een klaplong diagnosticeerden. Op 28 september van dat jaar vervolgde hij zijn koersleven in de Coppa Sabatini. Robert Gesink belandde met een gebroken ruggenwervel in het ziekenhuis. Hij kreeg een strak korset omgesnoerd en na een tergend lang genezingsproces kondigde hij in december zijn terugkeer in het peloton aan.
Op de vraag in het NOS Sportjournaal: ‘Was 1 oktober jouw Bevrijdingsdag?’ reageert Gesink ongebroken: ‘Zeer zeker. De dag dat het korset af mocht en ik eindelijk weer op de fiets naar buiten kon. Sindsdien heb ik alle dagen keihard gewerkt en hier staat hij fris en fruitig voor het nieuwe seizoen.’

Pijn in het peloton

Tsjaikovskistraat 40

Voorbije zondagavond was er de vierde aflevering van het zo gewaardeerde interviewprogramma ‘Zomergasten’ op de televisie, waarin Janine Albring de schrijver en Ruslandcorrespondent Pieter Waterdrinker onthaalde. Ik was zelf onder de indruk van de rijke woordenschat en de gedrevenheid van de auteur, vooral toen hij het over Rusland repte, waarin hij sinds 1996 woont. Een volger van mij op radio en tv herinnerde mij aan een recensie die ik vorig jaar in mijn media bracht en vroeg of ik het toen gezegde nog eens wilde herhalen. Als hommage aan Pieter Waterdrinker. Daar gaat ie dan. ‘Een roman nam ik tot mij die de grote en kleine geschiedenis met elkaar mixt. Een relaas las ik dat  het Russische verleden mengt met een persoonlijk geleefd leven. Ik moest daarbij denken aan de honderden foliovellen die mijn vader zaliger vol typte met zijn eigen zogenoemde kleine memoires waardoorheen hij flarden van het wereldgebeuren weefde. Alleen overheerste bij vader het eigen accent, zo niet bij het boek van deze week.

Ik heb het over de 432 bladzijden tellende hardcover Tsjaikovskistraat 40van de alom gevierde auteur Pieter Waterdrinker en van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar met de ondertitel ‘Een autobiografische vertelling uit Rusland’. U ziet het: de ondertitel ‘verraadt’ de mix van groot en klein. Een blij punt van Waterdrinker is dat hij met mooi proza de lezer meteen in de handeling plaatst en wel zo dat de lezer ware spanning voelt, de drang tot verder lezen. Ik ga u dat aantonen door het begin van Tsjaikovskistraat 40aan te reiken maar eerst citeer ik de uitgever met zijn tekst op de wikkel. Over een paar weken wisselen wij hier onze leeservaringen met elkaar uit!
Nijgh & Van Ditmar: ‘In Waterdrinkers nieuwste, sterk autobiografische roman Tsjaikovskistraat 40 neemt hij de lezer mee op een duizelingwekkende reis door de Russische geschiedenis en door zijn eigen leven. Vertrekpunt is zijn huis in Sint-Petersburg, waar de auteur woont met zijn vrouw en drie poezen, midden in de buurt die honderd jaar geleden het epicentrum was van de Russische revolutie van 1917. Behalve een kroniek over deze periode, die de loop van de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw ingrijpend zou bepalen, is de roman een verslag van het onwaarschijnlijk avontuurlijke leven van de auteur, die de afgelopen kwarteeuw in de Sovjet-Unie en Rusland doorbracht. In de handen van meesterverteller Waterdrinker wordt dit een rit op een literaire achtbaan. Een roman van een aangrijpende schoonheid, een ode aan de gespleten ziel van Rusland en de eeuwige interne strijd die dat oplevert. Groots ook in de wijze waarop Waterdrinker zijn eigen worsteling beschrijft met het leven, zijn schrijverschap, de liefde.’

Pieter Waterdrinker: ‘Op een late oktoberochtend in het jaar 1988 vroeg een heerschap uit Leiden mij of ik in staat was een kleine zevenduizend bijbels af leveren in de Sovjet-Unie. Hoe hij mij gevonden heeft weet ik nog steeds niet. In die tijd waren er maar weinigen in Nederland die Russisch spraken, die ooit de ussr hadden bezocht. Ik was er slechts één keer geweest, ruim zeven jaar ervoor. Misschien berustte alles ook wel op zuiver toeval, want dat is wat het leven mij heeft geleerd: deze wereld wordt geregeerd door willekeur. Ik was zesentwintig; kort ervoor was ik weer bij mijn ouders ingetrokken, nadat ik ruim anderhalf jaar lang op de Canarische Eilanden en in een bergdorpje op het Spaanse vasteland had gewoond. Ik was terug op mijn akelige jongenskamer, twee bij drieënhalve meter. ‘Mag ik even binnenkomen?’ De man had natte zwarte haren, zorgvuldig naar één richting gekamd. De scheiding leek er met een tang in gebrand. Hij droeg een bruine regenjas, met bruine knopen. ‘Mijn ouders zijn niet thuis,’ antwoordde ik. ‘Ze zijn in Haarlem, naar het ziekenhuis.’ Hij kwam niet voor hen, hij kwam voor mij.

‘Siderius,’ zei de vooroorlogse verschijning toen. Een paar tellen later zat hij op de bank, zich in zijn regenjas breed makend, als een roofvogel op zijn nest; hij stak een sigaret op en blies de rook door zijn haakneus naar buiten. ‘Mijn tijd is beperkt,’ begon Siderius. ‘En de kwestie waarvoor ik ben gekomen is eigenlijk nogal simpel. Kunt u over – laten we zeggen – een week of drie zorg dragen voor de aflevering van een partij Russische bijbels in de haven van Leningrad?’ De vraag was absurd, ongerijmd. Ik knikte enigszins wezenloos; de sigarettenrook hing als blauwe vitrage tussen mij en de man in. ‘God Onze Vader, de Schepper die Zijn enige zoon naar de aarde heeft gezonden om ons te redden, verkeert in zwaar weer. Het oosten is op drift. Ik neem aan dat u het allemaal volgt. Maar het is net als bij een oorlog: de zege is er pas als de victorie is bereikt. Alles wat ik u nu ga vertellen is geheim, om in de terminologie van onze vijanden van de KGB en de Stasi te spreken: ‘gekwalificeerde informatie!’ Heeft u misschien een glaasje water? Ik moet mijn pillen innemen… Jicht, kiespijn in de gewrichten, bij een aanval wil ik het liefst dood…’

Toen ik terug was uit de keuken dronk de man het glas met een pijngrimas leeg en begon daarna over een fenomeen waarvan ik nooit eerder had gehoord: het grootscheepse illegale transport van voornamelijk Russische bijbels naar het Oostblok. Op de grens van Finland met de Sovjet-Unie liet men soms ballonnen opstijgen met bijbels eraan, in de hoop dat deze ergens zouden neerdalen in het imperium van de antichrist, in het door Lenin gestichte Rode Rijk. Maar de echte religieuze contrabande vond centraal georganiseerd plaats over de weg, in speciaal omgebouwde luxeauto’s, personenbusjes, een enkele motor met zijspan, waarin activistische gelovigen van voornamelijk protestantse signatuur koers zetten naar landen als de DDR, Hongarije en Roemenië. Het was tamelijk riskant – arrestatie en gevangenisstraf dreigden. De DDR-grenswachters met hun herdershonden waren het meest gevreesd. Ze stonden klaar om met spiegels onder de auto’s te gluren, met hamertjes het chassis en de rest van de voertuigen af te gaan, op zoek naar dubbele bodems, waartussen opruiende antisocialistische lectuur, porno en bijbels mogelijk waren weggepropt. De perfecte dekmantel was het gezin; het gelukkige, kinderrijke gezin dat op weg was naar de velden, de bossen en de stranden voor een vakantie in de heilstaat. Ook Siderius was dikwijls oostwaarts getrokken; door een ziekte van zijn vrouw had hij het zendingswerk echter gestaakt. Het naderen van de grens was onveranderd voorafgegaan door een gebed in Gods vrije natuur. Nooit was er ook maar één van de achter het keukenwandje en onder de opklapbedden van zijn VW-busje verborgen bijbels gevonden.

‘Dus u doet het?’ Siderius, wiens rechterhand met pioenrode knobbels was overwoekerd, draaide nu zo krachtig aan zijn trouwring dat hij er die van af leek te willen trekken. ‘Wat precies?’ ‘Zorg dragen voor de aflevering van die zevenduizend bijbels in Leningrad. U spreekt toch Russisch? U bént daar in de Sovjet-Unie toch weleens eerder geweest?’ Met een hemelse lichtval in zijn felblauwe ogen keek Siderius me bijna smekend aan.

De volgende dag wachtte Siderius me op voor station Rotterdam Centraal. Met een klein autootje waren we door de stortregen naar Pernis gegaan, om kennis te maken met de organisatie. Hij betoogde: ‘De politiek in het oosten is aan het schuiven, als graan aan boord van een schip. Maar weet je in welk gevaar een schip op volle zee verkeert, als de lading in het ruim eenmaal op drift is? Dan kan het zomaar naar de kelder gaan!’ Volgens Siderius was er bij de bijbelsmokkel in de loop der jaren een soort concurrentie tussen de kerken ontstaan. Zelf was hij Nederlands-hervormd, maar diverse geledingen onder de gereformeerden, zelfs de mormonen en de doopsgezinden waren voor zichzelf begonnen.

Er was een competitie-element ingetreden. ‘De kerkenraad ziet de huidige situatie als oorlog: het is nu of nooit. De strijd, de ammunitie aan het front moet worden opgevoerd. De aantallen bijbels in personenbusjes schieten niet snel genoeg op. We moeten onze door Marx geknechte broeders en zusters massaal voorzien van geestelijk voedsel, van hoop, van licht. Wat u zo direct gaat zien is een proefzending: zevenduizend Russische bijbels, keurig verstopt tussen een paar ton Zeeuwse piepers. Als deze missie slaagt, liggen er nog tachtigduizend andere op ons te wachten in een pakhuis in Gouda. Om via Leningrad hun weg te vinden naar Moskou, naar de Oeral, naar dorpen diep in Siberië. De gereformeerden zijn eveneens iets met een schip van plan, maar ze zwijgen als het graf, eeuwig achterbaks!’ In een loods waar aardappelen als bergen steenkool opgeslagen lagen, werd ik voorgesteld aan drie mannen van middelbare leeftijd in lange herenjassen. Zwijgend hadden ze me de hand gedrukt, met wantrouwend-schuwe blikken, waarna ze in een hoekje met elkaar als duiven begonnen te koeren en de middelste van de drie uiteindelijk zei: ‘Goed, Siderius, als jij zegt dat deze broeder deugt, dan vertrouwen we daarop.’

Vervolgens was hij in gebed voorgegaan. Voor het welslagen van mijn missie. Sinds mijn kinderjaren had ik niet meer gebeden; ik hield mijn ogen een paar tellen gesloten. Met gevouwen handen bestudeerde ik de gelovigen: goede, krachtige, solide Hollandse koppen, als uit steen gehouwen. Vliegreis, verblijfsvisum alsmede de hotelkosten zouden worden vergoed. Ik ging vanwege het avontuur; voor de rest moest ik vertrouwen op Gods beloning.’

Tsjaikovskistraat 40

Het oog van de naald

Het geschiedde aan het eind van de woensdagmorgen 22 augustus. Petra van de post had een boek in het mandje voor de deur gevlijd, ik had het in mijn armen opgenomen en ik was aan het lezen geslagen. Dat ik in de tuin de buxus heg aan het korten was, nam ik verder voor lief. Het ging om de 236 bladzijden tellende paperback Het oog van de naald van A.L. Snijders en AFdH Uitgevers met de ondertitel ‘196 zkv’s’. Ik mocht het al eerder met u over de zeer korte verhalen van Snijders met u hebben, wij waren zeer in de euforie en derhalve heeft deze nieuweling geen verdere aankondiging en promotie nodig. Als u maar weet dat Het oog van de naald bestaat. Ik laat u wel drie van de bijna tweehonderd zkv’s proeven, opdat u de smaak weer te pakken krijgt. De volgende keer komt ik nog een keer met een trio van Snijders bij u langs. Als intro volgt eerst de tekst van de site van de uitgever.

AFdH: ‘In 2006 publiceerde AFdH Uitgevers de eerste bundel zeer korte verhalen van de toen nog volslagen onbekende A.L. Snijders. Elf jaar later verschijnt de tiende bundeling -De auteur is inmiddels tachtig jaar. Hij is de gerenommeerdste kortverhalenschrijver van de Lage Landen geworden. Onlangs kwam er een Franse vertaling van zkv’s uit, een Duitstalige editie is in voorbereiding, in de USA verschijnt een bloemlezing uit Snijders’ werk en ook in Zuid-Amerika werkt men aan een Snijders-vertaling. We zeggen het met trots: mede dankzij hem is het zeer korte verhaal zich aan het emanciperen, zelfs school aan het maken. In Het oog van de naaldverschijnen de zeer korte verhalen van 2015 en 2016 in druk. Ook de stukken die de auteur schreef voor de Vlaamse krant ‘De Standaard’ zijn in de bundel opgenomen. Het is opnieuw een fantastische bundel geworden met de altijd weer verrassende mengeling van taoïsme, humoristische observaties over stad en land, mooie verhalen over literatuur en dieren en veel wijsheid.’ 

A.L. Snijders met het titelverhaal 02.01Het oog van de naald: ‘ Omdat ik gek dreigde te worden belde ik in Amsterdam de Wegenwacht. Het was de laatste dag van het jaar, onderweg op de A1 had de auto me plotseling gewaarschuwd: de achterdeur stond open. In de parkeerhaven bleek de achterdeur potdicht. De auto legde zich vijf minuten neer bij mijn conclusie en begon toen weer om de tien seconden een snerpende toon uit te zenden. Ik stopte nog een paar keer om de deur hard in het slot te gooien – tevergeefs. Ik parkeerde naast het Rijksmuseum en voerde een gesprek met de receptioniste van de Wegenwacht. Tot mijn opluchting billijkte zij mijn klacht, zij achtte het inderdaad niet uitgesloten dat ik na de twee uur durende terugtocht in het gekkenhuis zou belanden. Binnen een uur zou er hulp komen. 

Op tien meter afstand stond het borstbeeld van P.C. Hooft. Dar was zestig jaar geleden onthuld – ik was erbij geweest. Het beeld was door een laken geheel aan het oog onttrokken. Een wethouder sprak enige statige woorden, een professor in de zeventiende-eeuwse letterkunde vertelde dat Hooft van eminent belang was geweest voor onze cultuur. Toen het laken eraf werd getrokken bleek dat we achter het beeld stonden. Aan dit symbolische incident werd later op de universiteit aandacht besteed: het verleden keert je soms de rug toe zonder dat je er weet van hebt. De monteur was er na een uur. Het euvel was heel moeilijk te vinden, zijn vrouw wachtte in IJmuiden met oliebollen en champagne, maar hij gaf het niet op. Na een uur experimenteel onderzoek vond hij diep in de achterdeur het stekkertje dat door vocht ontregeld was. Ik reed terug in een zwijgende auto, mijn geest bleef ongeschonden, ik kwam om vijf voor twaalf in het stille huis. Ver achter de horizon ontplofte het nieuwe jaar, ik was door het oog van de naald gekropen. 

10.01 Receptie: ‘Het is de gewoonte dat ik op de nieuwjaarsreceptie van de gemeente na de burgemeester een kort verhaal voorlees. Deze keer duurde het vier minuten, het ging over het bos van het landgoed De Veldhorst dat door Natuurmonumenten beheerd wordt. Ik fiets daar vaak en soms wandel ik er ook. Tegenwoordig liggen er reusachtige stapels gezaagd beukenhout, zware oude bomen. Ik lees een couplet van Vasalis voor.                                                                        

Er is een boom geveld met lange groene lokken
Hij zuchtte ruisend als een kind
terwijl hij viel, nog vol van zomerwind
Ik heb de kar gezien die hem heeft weggetrokken.

De mensen die daar wonen vertellen dat dit hout naar China gaat, waar ze er goedkoop speelgoed van maken dan weer teruggaat naar Europa waar wij het dan voor een habbekrats bij de Action kunnen kopen. Ik kan het bijna niet geloven, goedkoop speelgoed van beukenhout, de mooiste boom uit het bos. Slachtoffer van de uitgekiende geldzucht van Natuurmonumenten. Maar er staat iets tegenover, het Kienveen, een prachtig klein natuurgebied in hetzelfde bos. Op het educatieve bordje staat de ontstaansgeschiedenis. De mooiste zin is: ‘Na de vondst van het zeer zeldzame melkviooltje besloot Natuurmonumenten het gebied open te maken door bos te kappen en te plaggen.’ Op de receptie – glas in de ene hand, toastje in de andere – word ik benaderd door iemand die diep in het bos woont. Hij vindt het jammer dat ik zo genuanceerd ben geweest, hij had liever een harde, eenzijdige aanval op Natuurmonumenten gehoord, zonder de uitvlucht van het melkviooltje. Ik zeg: We gaan ten onder, dat is duidelijk, maar niet uit slechtheid – we gaan ten onder omdat we eigenlijk niet beseffen dat we twee gezichten hebben en dat daar niet mee te leven valt.’

Dorpel: ‘De man werkt in een oude schuur van twee verdiepingen. Hij is alleen, de schuur staat in een verlaten bergstreek in Zuid Frankrijk. Hij is bezig met de voorbereidingen voor een contrefort tegen een hoge, bollende binnenmuur. Het is een stille man, hij zegt niet veel, hij heeft de razernij van de wereld de rug toegekeerd. Hij leest geen kranten, hij heeft geen televisie, hij heeft geen kinderen, zijn vrouw heeft hem na vijf jaar huwelijk verlaten en is in een grote stad gaan wonen om de verloren tijd in te halen. 's Avonds luistert hij soms naar de muziek van Morton Feldman, maar meestal is zelfs dat teveel voor hem en zit hij roerloos in het stille huis. Terwijl hij bezig is met het fundament van de steunbeer hoort hij kleine knabbelende geluiden, hij laat de troffel in de specie los en richt zich op – hij hoort het gebouw ademen. Het is tien meter naar de buitendeur, tien meter tussen leven en dood. Terwijl het gebouw instort wordt hij gered door de taaie, gekromde dorpel van de deur. Niemand kan hem zien zoals hij daar staat als het weer stil wordt, een middeleeuwse heilige in de lijst van een schilderij.’

Het oog van de naald

Selfie

En weer mocht ik het beleven: een boek aangereikt krijgen, dat mij meteen in de ban had. De afzender was de ons zo bekende pr-dame Thea van Duijvenbooden. Petra van de post gaf mij vanmorgen een pakketje waarin een boek gevlijd was, dat op het eerste gezicht een intrigerend juweel was, naar vorm en naar thema.
Ik nam het eerste chapiter tot mij en ik besefte het algemeen belang van deze uitgave. Ik heb het over de 400 bladzijden tellende hardcover Selfievan de Britse journalist Will Storr en de bij ons zo beminde uitgeverij Scriptum met de ondertitel ‘Hoe we zo bezeten zijn geraakt van onszelf, en wat het met ons doet’. Ik pluk uit het eerste van de zeven hoofdstukken met de titel ‘De stervende mens’ opdat u mijn drang tot verder lezen zult onderschrijven. Vooraf citeer ik de uitgever via de tekst op de site. gouden wikkel. Het spreekt voor zich dat wij met elkaar over deze Selfie nog te spreken komen.

Scriptum: ‘We leven in de tijd van het individu. We worden verondersteld slank, welvarend, gelukkig, extravert en geliefd te zijn. Dit is het beeld in onze cultuur van het volmaakte zelf dat we overal zien: in de reclame, in het nieuws, op social media. Maar dit model van het volmaakte zelf kan uitermate gevaarlijk zijn. Mensen lijden onder de zware kwelling van deze onmogelijke fantasie. Ongekende sociale druk leidt tot toename van depressie en zelfmoord. Waar komt dit ideaal vandaan? Waarom is het zo invloedrijk? Is er een manier om haar betovering te verbreken? Om deze vragen te beantwoorden neemt Selfie ons mee van de kusten van het Griekenland uit de klassieke oudheid, via de christelijke middeleeuwen, naar het Californië van de jaren tachtig, de opkomst van het narcisme en de selfie-generatie, helemaal naar het hyper-individualistische neoliberale tijdperk waarin we nu leven. Will Storr is journalist en auteur. Zijn artikelen zijn verschenen in verschillende publicaties, waaronder ‘The Guardian, Sunday Times’, ‘Observer’, ‘Esquire’, ‘New Yorker’ en de ‘Sydney Morning Herald’. Hij is meeschrijvend redacteur bij het tijdschrift ‘Esquire’. Hij werd benoemd tot New Journalist of the Year, en won een National Press Club-prijs voor uitmuntendheid.

Will  Storr: ‘Aanvankelijk was er niets. Ze was een persoon, aan bed gekluisterd, en dat was het dan ook. Geen geheugen, geen gedachten, slechts vreemde geluiden: elektronische piepjes, een zacht mechanisch gezoem. Toen opeens klonk er een stem vanuit die waas: ‘Kun je me vertellen wat dit is?’ Er zweefde iets voor haar ogen. ‘Een pen?’, zei ze. In vage oprispingen van bewustzijn had ze de contouren in de kamer wel herkend: een bed, een stoel. Om de een of andere reden kon ze er echter geen samenhangend geheel van maken. Menselijke vormen bogen zich over haar heen en zeiden dat ze haar kenden. Zelf had ze geen idee wie ze was. Ze wist niet dat het de tweede week in juni 2007 was, niet dat dat zij 43 jaar oud was, en ook niet dat zij Debbie Hampton uit Greensboro in de staat Noord-Carolina, was. Op gegeven moment begreep ze echter de essentie van haar netelige situatie. Ze leefde. En daar was ze razend over. Enkele dagen eerder had Debbie een overdosis van meer dan negentig pillen geslikt. Wel tien verschillende geneesmiddelen die je alleen op recept kon krijgen; sommige had ze gestolen uit een nachtkastje bij de buren. Al sinds zij dat slungelige meisje was dat door iedereen op school voor aap was uitgemaakt, had ze geleden onder een laag zelfbeeld. Haar jeugd was niet gemakkelijk geweest. ‘Mijn ouders zijn gescheiden toen ik zestien was’, vertelde ze mij, ‘en ik zwoer toen, op dat moment, dat ik mijn kinderen dat nooit zou aandoen.’ 

Op haar eenentwintigste trouwde ze met haar jeugdvriendje, en ze kregen al snel kinderen. Ze moest en zou de vrouw van zijn dromen worden. ‘Mijn schoonmoeder was het toonbeeld van de perfecte moeder en echtgenote. Zij bleef thuis, voedde de kinderen op, kon fantastisch koken, was gewiekst. Zo iemand wilde ik ook zijn.’ Hoezeer ze het echter ook probeerde, het lukte Debbie niet om net als die vrouw te zijn. Het leven als huisvrouw verveelde haar. ‘Ik was onaangenaam gezelschap. Ik was boos.’ Het huwelijk liep stuk. Daar zat ze dan, als de alleenstaande moeder die ze gezworen had nooit te zullen zijn. Ze ging daten, maar dat ging niet goed. ‘Mijn jongste zoon zat midden in de hal en huilde tranen met tuiten omdat hij een “echte” vader wilde.’ Als kind had Debbie altijd geprobeerd het kind te zijn dat haar moeder graag wilde zien. Als volwassene had ze haar uiterste best gedaan om de vrouw te worden naar wie haar man volgens haar verlangde. Haar hele leven had ze die droom van perfectie nagejaagd, en steeds lukte het haar maar niet om die perfectie te bereiken. Nu voelde ze zich een mislukking. ‘Ik dacht: Je voldoet niet als moeder, je verdient nooit je eigen geld, je wordt ouder en je krijgt nooit een man die jou gelukkig maakt.’ Rond elven in de ochtend van 6 juni 2007 zat Debbie op haar bed, sloeg de pillen achterover met wat goedkope Shiraz en zette een CD van Dido op om naar te luisteren terwijl ze stierf. Wat later stond ze op, ging naar haar computer beneden, zette die aan, en begon een afscheidsbriefje te schrijven: ‘Lieve familie, ik schrijf dit met tranen in mijn ogen. Ik ben bang dat ik niemand van jullie ooit nog zal zien. Ik ben gevangen genomen door de blanke mannen en zit op een slavenschip naar een verafgelegen land.’ Ze voelde zich heel raar, maar schreef toch nog een tijdje door en sloot het briefje toen af: ‘Vaarwel en laat je niet pakken zoals mij is gebeurd, Kunta Kinte.’ Rond drie uur in de namiddag vond een van Debbie’s zonen haar liggend op de keukenvloer. Ze werd in allerijl naar het ziekenhuis gebracht, waar ze uiteindelijk wakker werd, razend op zichzelf. ‘Ik was woedend’, zei ze. ‘Ik had het verknald. Ik verweet mezelf dat ik mijn zelfmoord had verprutst. Ik zal zo vol zelfverwijt dat ik dacht eronder te zullen bezwijken.’

Zelfmoord is een raadsel. Het druist in tegen al onze fundamentele inzichten over de menselijke natuur. Wij mensen zijn doeners, we willen dingen bereiken, we zijn vechters. Of we nu goed of kwaad in de zin hebben, we zetten er hoe dan ook de schouders onder. We bouwen grote steden, delven kolossale mijnen, stichten enorme rijken, vernietigen ecosystemen en leefomgevingen, rekenen af met de beperkingen van onze dromen van gisteren en krijgen natuurwetten in onze greep om magische dingen tot alledaagse dingen te maken. We willen van alles hebben en we krijgen het ook; we zijn hebzuchtig, ambitieus, sluw, weten van geen ophouden. Zelfvernietiging komt in dit plaatje niet voor. Het past er niet in. Toch zit het er in. Moet er in passen. Bood het verhaal van Debbie misschien een aanknopingspunt, vroeg ik me af, iets wat kon verklaren waarom iemand zozeer het spoor bijster kon raken? In de afgelopen jaren heb ik veel mensen gesproken die te maken hadden gekregen met zelfmoord. Iedere keer opnieuw kreeg ik in wezen het verhaal van Debbie te horen: hooggestemde verwachtingen die waren uitgelopen op een mislukking, waarna de persoon in kwestie van zichzelf ging walgen en in een impuls besloot er een einde aan te maken. […]

Perfectionisme is natuurlijk niet iets wat je nu eenmaal hebt of niet hebt. Het is geen virus of een botbreuk. Het is een gedachtepatroon. Iedereen bevindt zich wel ergens op de schaal van perfectionisme. Iedereen is in meer of mindere mate een perfectionist, en naarmate je hoger op de schaal zit, ben je gevoeliger voor signalen uit je omgeving dat je het niet goed doet. Ook al beschouw je jezelf niet als een perfectionist, dan nog heb je vermoedelijk een beeld van jezelf waaraan je denkt te moeten voldoen, en voelt het op zijn minst aan als een klap wanneer je beseft dat je hebt gefaald; dat is waarover we het hier hebben.
Volgens Flett geldt perfectionisme tegenwoordig ‘als een ideaal’, maar de genoemde schaduwkanten ervan – en ook de wisselende vormen ervan – zijn minder algemeen bekend. ‘Op jezelf gericht perfectionisme’ is niet sociaal – de eis van perfectionisme komt van binnenuit. Er is ‘narcistisch perfectionisme’, waarbij mensen echt denken dat zij tot de allergrootste hoogten kunnen stijgen maar vervolgens kwetsbaar worden wanneer ze beseffen dat dat toch niet lukt. Verder is er ‘neurotisch perfectionisme’, de categorie waartoe zowel Debbie als ikzelf vermoedelijk behoren. De mensen in deze categorie hebben een laag zelfbeeld en ‘hebben gewoon het gevoel dat ze nooit voldoen’. Ze maken zich zorgen en zijn angstig, en er gaapt een kloof tussen wie ze zijn en wie ze willen zijn. Ze generaliseren enorm over zichzelf. Als ze ‘iets niet goed doen’, dan voelt dat voor hen alsof ze als persoon volledig hebben afgedaan.[…] 

Vanzelfsprekend heeft iedereen een enigszins verschillend ideaalbeeld waarnaar men streeft, afhankelijk van geslacht, levensovertuiging, leeftijd, familie en sociale achtergrond, werk enzovoort. Debbie’s model van de ‘perfecte echtgenote en moeder’, bijvoorbeeld, lijkt voort te komen uit een cultureel tijdperk dat voor veel mensen volstrekt achterhaald is. Wat is dan echter het ideale zelfbeeld van de hedendaagse cultuur? Dat is niet zo moeilijk te bepalen. Het is meestal een extroverte, slanke, mooie, individualistische, optimistische, hard werkende, maatschappelijk bewuste maar ook zichzelf zeer wel respecterende wereldburger met ondernemerszin en selfie-camera. Dit zelfbeeld mag graag van zichzelf denken dat het uniek is, probeert de wereld ‘beter te maken’, en is onder meer erg gesteld op persoonlijke authenticiteit, ofwel ‘echt zijn’. Ook zal dit zelfbeeld uitdragen dat je ‘trouw moet zijn aan jezelf ’ en ‘je droom moet volgen’ om gelukkig en succesvol te zijn. En als jouw dromen maar groot genoeg zijn, aldus sportarts dr. Con Mitropoulos – die persoonlijk de bittere schaduwkant van deze ideeën heeft meegemaakt – ontdek je dat ‘alles mogelijk is’. En, oh ja, het zelfbeeld is meestal ook nog geen dertig jaar oud.’

Selfie